Een onvermijdelijke botsing…

Het is vrijdagavond rond de klok van 22.00 uur. Het is smerig en koud weer. Ik rij van stal naar huis en ben slecht gehumeurd. De paarden zijn elkaar in de haren gevlogen en mijn arme poownie heeft het onderspit moeten delven. Het beest zag er niet uit en was flink toegetakeld. Mijn gedachten dwalen af en zijn opzoek naar een oplossing voor dit probleem. Dan opeens zie ik hem staan. Ik weet dat ik niet meer kan remmen en uitwijken naar links of naar rechts zou zeker een verpletting met de banden van King Toet betekenen of een botsing met de betonnen muur van het tunneltje tot gevolg hebben. Ik kom te snel dichtbij. Zijn blik spreekt boekdelen en dat is het enige dat ik op dat moment kan zien als ik over hem heen rijd. Dat, en zijn zwarte kraaloogjes. We weten alle twee dat ik hem ga raken. Op tijd remmen lukt niet meer maar toch rem ik zo hard ik kan af. Ik hoop dat het beestje klein genoeg is om onder de auto door te passen. Ik hoor een harde klap en weet dat het laatste wat ik dacht niet is gelukt.

Mijn hart zit in mijn keel en het zweet breekt mij aan alle kanten uit. Ik zet de auto boven aan de dijk en ren terug naar het tunneltje om te kijken welke schade ik heb aangericht. Daar ligt hij, klein en hulpeloos met zijn kopje achterstevoren. Het is een waterkipje. Er vormt zich een brok in mijn keel. Het is mijn schuld dat hij daar zo ligt. Ik loop snel op hem af om te kijken of ik hem nog kan redden. Hij knippert met zijn oogjes en ademt zwaar. Godzijdank leeft hij nog. De vraag is voor hoelang…

Ik haak mijn handen onder zijn donzige lijfje en grijp hem van de grond. Als we hier blijven staan worden we straks alle twee plat gereden. Op het moment dat ik hem optil maait hij met zijn grote poten om zich heen. Ik schrik mij rot bij de aanblik van zijn grote klauwen. Zijn nagels zijn vlijmscherp en zodra er één in aanraking komt met mijn vinger moet ik mij verbijten om niet te vloeken van de pijn. Zijn poten zijn in ieder geval niet gebroken.

Ik neem het schepseltje mee naar de eerste de beste lantaarnpaal zodat ik wat meer licht heb om hem te onderzoeken. Zijn poten doen het in ieder geval. Toch bekijk ik ze, iet wat gebiologeerd, om te zien of er echt niks aan mankeert. Als zijn grote grijpers in orde blijken te zijn doe ik de vleugeltest. Ik vouw eerst links en dan rechts helemaal uit en zoek naar mogelijke afwijkingen. Die zie ik niet. Zijn kop heeft hij zelf alweer in de plooi gebracht. Ik voel aan zijn nek en zijn hoofd en constateer dat alles, aan de buitenkant, nog zit waar het moet zitten. Als laatste check ik zijn snavel. Deze is ook niet gebroken. Alles lijkt het nog te doen. Ik houd het diertje een minuut of tien op schoot en praat er tegen. Meer om mijzelf op mijn gemak te stellen. Na enige tijd voel ik hem weerstand bieden. Hij begint te maaien met zijn poten en wil weg. Tijd om hem los te laten en te zien op hij weer op eigen benen kan staan.

Omdat ik niet wil dat hij straks weer geplet wordt neem ik hem mee naar een slootje met een strook gras. Daar zet ik hem neer en doe zelf een paar stappen achteruit om hem niet op te jagen. Hij kijkt wat schichtig om zich heen. Even ben ik bang dat ik toch met hem naar de dierenarts moet. Maar dan strekt hij zijn nek en draait zijn kop naar links en naar rechts. Zoals wij zouden doen tijdens een warming-up voor het sporten. Vervolgens doet hij een paar wankele pasjes en schud zich daarna helemaal uit. Afgezien van een shock heeft hij er klaarblijkelijk niks aan over gehouden. Mijn weemoedige gevoel begint langzaam weg te zakken. Ik spreek hem toe dat ik hem niet meer op de straat tegen wil komen en loop daarna terug naar mijn auto.

Als ik de volgende morgen de gordijnen van de woonkamer open, staat er een waterkipje in het midden van de tuin. Vastberaden loopt hij op mij af. Ik vraag mij af wat dat beest in mijn tuin doet. Wij hebben namelijk alleen maar een terras en afgezien van een mereltje of een mus-achtige-vogel zijn er zelden gevleugelde vrienden te vinden. Zelfs Uk vind het raar. Als ik de deur open maak kiest hij eieren voor zijn geld. Hij draait zich om en klautert onhandig over de schutting van de buren. Verbouwereerd blijf ik achter. “Hij komt je vast bedanken dat je hem gisteren niet aan zijn lot hebt overgelaten!” Zegt Uk, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik krab mij achter mijn oren en moet daarna lachen. “Ja, dat, of hij komt wraak nemen!” Zeg ik. “Maar laten we maar van jouw opmerking uitgaan.” Zeg ik er achteraan.

Als ik later op de dag een bezoek aan stal ga brengen stop ik toch even bij het slootje. Ik speur de hele waterkant af en loop naar de plaats waar ik hem gisteren heb achter gelaten. Het waterkipje is nergens te bekennen. Gelukkig maar…