De stille magie van 05.00 AM…

Dat ik dus iemand ben geworden die vrijwillig om 04.45 uur wakker wordt… Iets wat ik eigenlijk alleen zou doen als ik met vakantie ga. Maar inmiddels is het vaste prik: ik, mijn wekker, en een ochtendwandeling die voelt als een soort mini‑retraite in het park.

Het begon allemaal met een simpel doel: mijn stappen halen vóór werktijd. Praktisch en meetbaar. Maar zoals dat gaat met dingen die goed voelen, liep het uit de hand. Niet obsessief, maar meer in de categorie: “Waarom voelt mijn dag incompleet als ik niet minstens 3 kilometer heb gelopen voordat de rest van Nederland zijn eerste koffie drinkt?” 

De eerste paar dagen waren pittig. Rond 20.00 uur was ik een soort uitgeknepen vaatdoek. Maar wonder boven wonder wende ik snel. Mijn lichaam besloot dat 04.45 uur een prima tijd is om wakker te worden. Wat ik merk, is dat die ochtendwandeling veel meer doet dan alleen mijn stappenteller blij maken. Mijn gezicht ziet er minder pafferig uit (mooi meegenomen), mijn benen voelen steviger, mijn heup klaagt niet meer, en ik loop letterlijk vóór op de rest van de wereld. Terwijl anderen nog liggen te dromen over wat dan ook, loop ik al tussen de bomen door te ademen alsof ik een soort zen‑monnik ben.

En dan komt het nuchtere stuk. Er is namelijk niets zweverigs aan vroeg opstaan. Je hersenen zijn ’s ochtends nog leeg. Geen mailtjes, geen collega’s, geen kinderen. Je brein staat nog in de stand “vers wit papier”. Dat maakt het makkelijker om helder te denken, rustiger te voelen en überhaupt te onthouden dat je een mens bent en geen wandelende to‑do‑lijst. Wandelen in de ochtend zet je cortisolcurve recht. Je lichaam krijgt een duidelijke “goedemorgen, we gaan beginnen”-signaal, waardoor je energie over de dag gelijkmatiger blijft. Minder dipjes, minder snaaigedrag, minder momenten waarop je ineens met je hoofd in een zak chips hangt en niet weet hoe je daar bent beland.

Zelfs het daglicht werkt mee. Ook als het halfdonker is, krijg je al genoeg licht binnen om je biologische klok te resetten. Dat betekent beter slapen, sneller wakker worden, minder zombie‑gedrag. Je kunt dit zien als gratis therapie. Gewoon een park met een paar bomen, frisse lucht en je eigen benen.

Hoewel het zomer is, is het rond 05.00 uur nog niet zo licht als een paar weken geleden. En het is ook iets frisser als toen ik er net mee begon. Mijn topje is inmiddels ingeruild voor een jasje, en ik ben alternatieve routes aan het bedenken voor wanneer het écht te donker is, want ik ben wel toegewijd, maar niet naïef. Mijn regenkleding ligt ook al klaar, al weet ik nog steeds niet of ik mij vrijwillig zeiknat wil laten regenen. Ook hier, toegewijd maar niet gek. Voor nu kijk ik in ieder geval elke ochtend uit naar dat rondje wandelen.

Zijn er nadelen? Tuurlijk. Soms ben ik overdag moe. Soms ga ik zelfs eerder naar bed dan Groene Draak. Maar de voordelen zijn eindeloos: actiever voelen, minder honger, minder snaaigedrag, stevigere bovenbenen, een blije heup en een hoofd dat veel rustiger is. Dus wat heb ik geleerd? Dat vroeg opstaan geen straf is, maar een cadeau. En dat ik blijkbaar iemand ben die de dag het liefst begint voordat de rest van de wereld überhaupt heeft besloten wakker te worden.

Wakker vóór de wereld…

Ik ren de afgelopen weken het vuur uit mijn werksloffen, maar mijn stappendoel? Geen schijn van kans. En dan ga ik op vakantie, waar luieren praktisch een fulltime baan is en haal ik datzelfde stappendoel met twee vingers in mijn neus. Waarschijnlijk door de vele rondjes langs het buffet, maar dat detail parkeren we voor dit blog even.

Bij thuiskomst voel ik dat ik die lekkere beweegflow wil vasthouden. Dus ik besluit de volgende dag meteen te gaan wandelen. Alleen kies ik het tijdstip een tikkeltje ongelukkig. Midden op de dag, 30 graden, zon die brandt alsof ik nog steeds op Gran Canaria ben. Ik kom druipend thuis en besluit dat dit anders moet.

De ochtend erna ga ik direct bij het ontwaken op pad. Het kwik klimt opnieuw richting de 30 graden, maar in de vroege ochtend is het nog heerlijk. Zo heerlijk zelfs, dat ik de rest van de week mijn wekker zet, ondanks dat ik nog vrij ben. En iedere dag gaat die wekker een stukje vroeger. Alles om een wandeling te maken. Vriendlief verklaard mij voor gek.

Was ik soms vergeten hoe heerlijk rustig ons park is op dit uur?! De wereld ontwaakt langzaam. De lucht is fris, de stilte bijna tastbaar. Ik hoor de vogels fluiten en alleen dat geluid zorgt al dat mijn dag goed begint. Geen muziek nodig, de natuur doet haar werk.

Mijn werkende leven staat op het punt om weer te beginnen, dus ik besluit mijn wekker nóg iets eerder te zetten. Hij gaat nu om 5:00 af. Terwijl het hele huis nog in diepe rust is, zelfs de vogel want geen early bird, waag ik mij buiten. Met 45 minuten wandelen heb ik al de helft van mijn stappendoel binnen en voel ik me een stuk actiever op het moment dat ik op mijn werk aankom.

Wanneer ik naar bed ga, kijk ik stiekem al uit naar het moment dat ik weer mag lopen. In alle vroegte, met niemand anders dan het ontwaken van de dag en de vogels in de bomen, oh en de slakken op de grond, dat dan wel weer. “De Club van 5AM” stond al even op mijn lijstje en vanaf nu ben ik een waardig lid.

Soms valt me op hoe de zon het park schildert. Iedere ochtend kleurt het licht de bladeren in minstens tien tinten groen. Van fris limoen tot bijna donkergoud. Het lijkt alsof de zon door de takken en bladeren heen een soort natuurlijke filter over de wereld legt. Het park is eigenlijk helemaal niet groot, maar door de kronkelpaadjes voelt het alsof ik door een klein bos loop. Alsof ik telkens een nieuw stukje ontdek dat gisteren nog niet bestond. Het licht speelt verstoppertje tussen de bladeren, werpt strepen op het pad en maakt van een simpele ochtendwandeling een soort mini‑expeditie. Ik merk dat ik langzamer ga lopen, gewoon om niets te missen.

En dan die geuren… De wereld ruikt compleet anders na een nacht regen. Ieder stukje park heeft zijn eigen lucht. Soms loop ik langs een pluk onkruid en word ik verrast door een weelderige zomerse geur. Alsof iemand een fles parfum heeft leeggespoten. Ik blijf even staan, snuif diep in, en laat de ochtend zich helemaal in mij nestelen.

Ik wandel. Ik adem. Ik ben wakker nog vóór de rest van de wereld dat is.
En dat voelt als een cadeautje, elke dag opnieuw.

80 bochten verder, 350 meter hoger…

Na tachtig haarspeldbochten — die direct al in het dal begonnen en eindeloos doorliepen tot aan de top — is het een wonder dat mijn maaginhoud nog steeds zit waar hij hoort te zitten. Aangezien ik deze ochtend iets ruimer ontbeten heb dan gebruikelijk. Een beetje misselijk ben ik wel. Maar na een paar koekjes en een slok water voel ik me al snel een stuk beter.

Bij het openen van mijn deur wordt deze bijna uit mijn handen gerukt. De zon is meedogenloos. De wind nog meer. Natuurlijk had ik weer niet aan een vestje gedacht. Daar denk je niet aan als je wegrijdt met dertig graden en volop zon. Gelukkig ligt er een badlaken op de achterbank, dat ik als een geïmproviseerde cape om me heen sla.

De rit naar de top was minstens zo spectaculair als het uitzicht dat op mij wacht. Het landschap aan de westkust van Gran Canaria is een stuk grilliger en ruiger dan de badplaatsen. Dit deel van het eiland wordt niet voor niets het meest ongerepte stuk genoemd: enorme kliffen, diepe ravijnen en gesteente in kleuren die je bijna niet kunt verzinnen.

We zijn aangekomen bij Mirador del Balcón, een uitkijkpunt dat je absoluut op je lijst moet zetten als je de binnenlanden inrijdt en iets anders wilt zien dan zon, zee en strand. Ik loop achter de familie aan richting de trap die afdaalt naar een platform. Daar moet ik moeite doen om niet direct de afgrond in geblazen te worden; hier waait het nóg harder dan op de parkeerplaats. Gelukkig is het platform afgezet met een glazen wand.

Ik duim dat het geheel stevig in elkaar is gezet, want we hangen letterlijk boven de Atlantische Oceaan aan een steile klif. Volgens de informatieborden op ongeveer 350 meter hoogte. Heel even lijkt het alsof mijn maag zich alsnog tegen mij keert. Maar toegegeven: het uitzicht is prachtig.

De wolken hangen op ooghoogte. Ik kan ze bijna aanraken. Onder mij kolkt en beukt het water van de Atlantische Oceaan tegen de rotsen. Het is machtig om te zien. Zelfs een foto of filmpje geeft niet hetzelfde effect als wanneer je dit met eigen ogen aanschouwt.

Wanneer ik helemaal naar links kijk, zie ik de bekende Drakenstaart: een reeks grillige bergkammen die trapsgewijs richting de zee lopen. Door hun vorm lijken ze op de rug en staart van een draak. Volledig gevormd door vulkanische activiteit, lang geleden natuurlijk, en daarna uitgesleten door wind, regen en oceaankracht tot de puntige formatie die het nu is.

Op de terugweg zie ik een bord waarop staat dat Gran Canaria een UNESCO Starlight‑bestemming is. Dit balkon is een van de donkerste en meest indrukwekkende plekken om sterren te kijken. De combinatie van hoogte, afgelegen ligging en vrijwel geen lichtvervuiling maakt het ideaal voor heldere sterrenhemels, de Melkweg en noordelijke sterrenbeelden zoals de grote en kleine beer en Cassiopeia.

Ik kan hier helaas niet over meepraten, want na een groepsfoto besluiten we onze rit voort te zetten naar het dorpje Agaete, een stukje verderop. En eerlijk… de rit terug in het pikkedonker zou ik stiekem ook niet aandurven.

Half uitgerust, volledig voldaan…

Er is altijd wel één pipo die denkt grappig te zijn. Dit keer was het iemand die doodleuk opmerkt dat onze vlucht misschien wel geannuleerd wordt. “Want ja… benzine hè.” Ik wens hem drie weken lang jeuk en te korte armpjes toe en houd ondertussen met één oog de website in de gaten. Je weet maar nooit. Maar onze vlucht naar Gran Canaria gaat gewoon door. Uiteraard. 

Op het vliegveld is het een georganiseerde chaos, maar de vlucht zelf verloopt verrassend soepel. We landen zelfs eerder dan gepland. Ik wissel lezen en slapen af, een gouden combinatie, en besluit dat een transfer regelen vast slimmer is dan een taxi of meteen een auto huren. Spoiler: dat is het niet. De rit duurt ongeveer drie levens, maar begin van de middag spuugt de bus ons eindelijk uit bij het hotel.

De ooms en tantes, die al een paar dagen eerder zijn aangekomen, staan ons op te wachten alsof we VIP’s zijn. Ze weten zelfs al waar onze kamer is. Sterker nog: die is al voor ons gereserveerd. Drie kamers naast elkaar. Gezelligheid gegarandeerd.

We kleden ons snel om en ploffen neer bij het zwembad. De rest van de dag doen we weinig meer dan eten, zonnen en het hotel verkennen. De komende anderhalve week is dit onze thuishaven. De eerste dagen bestaan uit een strak schema van: liggen, lezen, slapen, eten, drinken en lachen. Het soort ritme waar je lichaam spontaan van ontspant.

Op dag drie huren we een auto voor de rest van de periode. De benzine is hier ook duurder geworden, maar met €1,31 per liter nog steeds prima te doen. Navigatie hebben we niet nodig, we kennen het eiland inmiddels half uit ons hoofd. Al verrast mijn tante ons alsnog met excursies naar plekken waar ik nog nooit van gehoord heb.

We bezoeken Mirador del Balcon, een uitzichtpunt waar je de beroemde “drakenstaart” ziet. (daarover in een ander blog meer) We lunchen voor een appel en een ei in Agaete. We zoeken naar grotwoningen in the middle of nowhere, waar zelfs je telefoon geen bereik heeft. Er worden flessen rum gevuld in de distilleerderij van Arucas, maar daar zijn wij niet bij, want shoppen. Iets met prioriteiten.

Via vijf omwegen (want wel navigatie maar niet luisteren) rijden we naar Pico de Bandama, naast de gigantische krater Caldera de Bandama. Het uitzicht over het eiland is fantastisch en daar lunchen we opnieuw heerlijk. We bezoeken stadjes, shoppen tot we een ons wegen (niet handig, want alles moet mee terug), en wandelen door Puerto de Mogán voor koffie aan het water en uitzicht op de boten.

De rest van de tijd vullen we met luieren, lezen, eten en momenten waarop we letterlijk huilen van het lachen. Bij het zwembad, op het strand, aan tafel, het maakt niet uit waar, wij kunnen overal een feestje van maken. En dat wordt ook letterlijk gedaan wanneer de verjaardag van vriendlief dunnetjes overgedaan wordt met een versierde tafel, een verjaardagsliedje en taart. 

En dan ineens… is het voorbij. De tijd vliegt, zoals altijd wanneer je het leuk hebt. We pakken onze koffers en schuiven en meten al onze aankopen erin alsof we meedoen aan een spelletje Tetris, en nemen afscheid van onze tijdelijke thuishaven. 

Met een hoofd vol zon, een maag vol tapas en een hart vol herinneringen vliegen we terug naar huis.

Uitzicht vanuit ons hotel. Een dagje strand en een wandeling langs de ruige zee.

Dankbaar voor nog een rondje…

Een week voor haar verjaardag krijg ik een appje van mijn tante. Of we zin hebben om een bakkie te komen doen. Ze is jarig. Niks groots, niks fancy, gewoon een gezellige avond met een paar familieleden en vrienden.

We praten bij met deze en gene, en worden tussendoor realtime op de hoogte gehouden van hoe je een smartie uit de neus van een vierjarige peuter verwijdert. En, voor het geval je het je afvraagt, wat de huisartsenpost doet als dat níet lukt. De avond was naast gezellig dus ook nog eens verrassend educatief.

Bij het afscheid zei mijn tante tussen neus en lippen door:
“We moeten het leven vieren, Boor. Er zijn ons al te veel mensen ontvallen.”
En daar had ze natuurlijk helemaal gelijk in. Wanneer het kan: vieren. Het leven, elkaar, de momenten die we wél krijgen. Want het is ons niet allemaal gegeven om morgen weer gezond op te staan. Of überhaupt op te staan.

Een paar weken later ben ik zelf jarig. En laat ik eerlijk zijn: ik vier mijn verjaardag dus nooit. Ik vind het niks om zo in het middelpunt te staan. Je huis vol visite, zelf de hele avond heen en weer rennen, en uiteindelijk met niemand écht praten. Het voelt eerder als een verplicht nummer dan als “het leven vieren”.

Wat ik wél altijd doe: uit eten met het gezin. De ene keer uitgebreid, de andere keer gewoon lekker naar het pannenkoekenhuis. (Niks mis met een goede pannenkoek. Laat dat heel duidelijk zijn!!) Maar de woorden van mijn tante bleven maar rondzingen in mijn hoofd. “Vier het leven, Boor.”

Dus besloot ik het dit jaar anders te doen. Een klein feestje. Niet thuis, ik ben niet gek, maar in een Indonesisch restaurant. Heel toepasselijk. Ik reserveerde een grote ronde tafel en nodigde, naast vriend- en zoonlief, een klein select groepje mensen uit. Heel divers, maar allemaal types waarvan ik wist: dit komt goed. Iedereen kan met iedereen praten. Niemand hoeft sociaal te overleven in een hoekje.

En zo zaten we die avond met z’n allen aan die ronde tafel. Het paste precies. De ruimte voelde intiem, bijna alsof we de toko voor onszelf hadden. Ik mocht een toast uitbrengen die eindigde met de traditionele “PROOOOST!”. We liepen meermaals langs het heerlijke buffet, ik werd verwend met cadeautjes en kreeg zelfs vuurwerk in mijn ijs als toetje.

Het voelde meer dan goed.
Goed om stil te staan bij het verjaren.
Goed om gezond en wel aan tafel te zitten.
Goed om even stil te staan bij mezelf, bij hoe lang ik al op deze aardbol rondloop en hoe graag ik dat nog heel lang wil blijven doen.

En misschien… heel misschien… vier ik het volgend jaar gewoon weer.
Niet groots. Niet fancy. Maar wel bewust.
Want het leven vieren, dát is precies wat we vaker mogen doen.

Verjaardagskaart

De strijk kan wachten…

Mijn telefoon gaat net voor ik de stekker van de strijkbout in het stopcontact steek. Onhandig stap ik over de wasmand met nog te strijken kledingstukken, blijf met mijn voet in de wasmand met vuile was steken, die er heel ongelukkig pal achter staat. Ik sleep al struikelend de wasmand achter mij aan naar de andere kant van de kamer om mijn telefoon te pakken. Of ik zin heb om mee te gaan naar haar paard? Ja natuurlijk! 10 keer leuker dan wat ik op het punt sta te gaan doen. Binnen 5 minuten ligt alles weer op zijn eigen plek, inclusief de wasmand met vuile goed en ben ik omgekleed. Ik ben even naar stal, gil ik door de gang als ik onderweg ben naar mijn auto.

Zo, dat is lang geleden. Dat we elkaar gezien hebben maar ook dat ik in de buurt van een paard geweest ben. De laatste keer was net na de wintersport. Daarna ging iedere vrije minuut in mijn werk of het leren zitten. De keren dat ik echt vrij was lag ik gesloopt op de bank of ergens in de tuin in de zon, bij te tanken. 

Onderweg pik ik vriendin op en rijden we naar haar stal. Het waait stevig vandaag maar de zon schijnt ook. We hebben heel wat bij te praten en nemen daar ongemerkt ook echt de tijd voor. Als we aankomen is er verder niemand. De paarden hebben naast hun binnenstal ook een buitenstal, een zandpaddock en een gigantisch grote boomgaard tot hun beschikking. De paarden mogen naar believen lopen waar ze willen. Je moet vooral geen haast hebben, want als je pech hebt ben je even aan het zoeken naar je paard. 

Op goed geluk wandelen we een richting uit. Halverwege hebben we nog geen paard gezien. Wel wat geitjes, honden en een kat. En heel veel perenbomen die al mooi in bloesem staan. Vriendin fluit het voor haar paard bekende deuntje. Het duurt niet lang of we zien bij “gangpad 33A” een paard verschijnen. Geheel op haar gemak wandelt ze onze kant op. 

We begroeten elkaar als oude bekenden. Wat leuk om haar weer te zien. En ook hoe ze zo op haar gemak is hier. Tussen alle bomen in weet ze prima haar weg te vinden. Het blijft bijzonder dat ze haar eigen kudde loslaat en al slalommend op het fluitje van haar baas af komt lopen. In vol vertrouwen. En misschien de wetenschap dat er een snoepje in een van de jaszakken zit.

Zonder halster of touw wandelen we het hele stuk, inclusief paard, terug naar voren. Aangekomen bij de stal kunnen we flink aan de poets. En dat is iets wat ik toch stiekem wel een beetje gemist heb. Zeker in het voorjaar, wanneer de wintervacht loslaat. Niets geeft zoveel voldoening om dan met een roskam en zweetmes in de weer te zijn. De plukken vacht vliegen mij om de oren. De vogels in de boomgaard zijn er ook erg blij mee. We gaan net zolang door tot ze er weer glimmend bijstaat.

Het waait nog steeds erg hard. Een ritje of wandeling zit er niet in. Maar een graassessie in de zon vind iedereen oké. Na twee en half uur kom ik weer thuis. Uitgewaaid en bijgekletst. En de strijk? Die is allang weer vergeten.   


Rear view of a brown and white paint horse standing on a grassy path between rows of white blooming trees.
Tussen de bomen, in de zon…

De berg fluistert: “Ga spelen jij!”

“Oooh het sneeuwt!” roep ik als ik ’s morgens de gordijnen en tegelijk het raam open doe. Dikke vlokken dwarrelen op topspeed uit de hemel en voelen koud aan op mijn hand. Aan het dikke pak dat de bomen siert is te zien dat het al even aan de gang is. Tijdens het ontbijt zitten we met onze vertrouwde groep aan tafel bij het raam. Al die jaren dat we hier komen heeft het nog nooit zo hard gesneeuwd als nu. Het is prachtig! 

De rij bij de gondel wordt alleen gesierd door de medewerker. Er is verder niemand. Of we zijn vroeg, of niemand wil met dit weer de berg op. Onze groep heeft zich inmiddels ook opgesplitst. Eén is alvast de berg op. Twee komen wat later en wij gaan met zijn drieën naar boven. Halverwege begint het flink te waaien. De gondel wiegt heen en weer. Ik voel er niks voor om helemaal naar boven te gaan en weggeblazen te worden. Dus zeg ik de heren gedag en stap er bij het middenstation uit. 

Ik ben helemaal alleen. Het witte tapijt ligt onaangeroerd voor me. Bijna heilig. Even twijfel ik. Het ziet er zo mooi uit. Toch klik ik mijn bindingen vast. Sommige stiltes vragen om chaos.

Boven mij hoor ik een plotseling kabaal. Als ik mij omdraai zie ik een aantal skileraren zonder klasje. De een na de ander maakt een sprong over een hobbel ergens halverwege de berg. Onder luid gejuich van de rest. Groot gelijk hebben ze. De berg heeft er nog nooit zo prachtig bij gelegen als nu. Als ze voorbij zijn daalt de stilte weer neer en ze hebben nog een stukje berg onaangeroerd voor mij achter gelaten. 

De sneeuw komt nog steeds met prachtige dikke vlokken uit de hemel. Maar ik heb er totaal geen last van. Nog nooit eerder heb ik door zoveel verse sneeuw geboard. Zo moet dat dus voelen als je off-piste gaat op stukken ongerepte berg. Mijn onderbenen verdwijnen in de sneeuw en ik weet even niet hoe ik moet sturen. Oké, zo voelt het dus voor iemand die nooit van de gebaande paden afwijkt. De ervaren offpiste-boarder haalt zijn neus op voor dit pak sneeuw. 

Ik merk dat ik even mijn balans moet zoeken. Maar het lukt om grip te krijgen. Voor ik het weet drijf ik op de sneeuw. Mijn board zakt niet meer weg maar tilt me op. Alsof de berg deelt in mijn plezier en besluit me even te dragen in plaats van te testen. Ik surf op de sneeuw, een ander woord heb ik er niet voor. Ik maak grote bochten, kleine bochten. Versnel hier en rem daar. Ik laat een heel spoor (aan vernieling van sneeuw) achter mij. Ik heb de afdaling bijna helemaal voor mij alleen en geniet met volle teugen.  

Halverwege word ik weer ingehaald door de twee heren. Ik merk pas dat ik de hele rit met een brede grijns van de berg afgekomen ben nadat ik hen probeer te groeten en de kramp niet in mijn voeten maar in mijn kaken voel. 

Grappig hoe dezelfde sneeuw in Nederland voelt als last met files, natte sokken en kou. Maar hier voelt het als een cadeau en is het dubbelop genieten. 

Een witte kerst voor ons…

Het was tijdens onze zomervakantie dat we heel enthousiast, maar iets te impulsief, een kamer boekten voor de kerstvakantie. We zaten daar zo heerlijk; het uitzicht op de toen nog groene berg was prachtig. De mensen daar waren ontzettend vriendelijk en het eten was fantastisch. “Ik heb nog een kamer vrij, zal ik hem voor je reserveren?” vroeg de eigenaresse met een glimlach. En daar zeiden we geen nee tegen.

Een andere hotelgast vertelde dat het tijdens de kerst altijd megadruk is. Je kunt over de hoofden lopen en op de skipiste heerst chaos. Met dat in ons achterhoofd laten we de reservering toch staan. Of het waar is, zouden we snel genoeg ontdekken.

En dus zitten we in de eerste week van de kerstvakantie in hetzelfde hotel, met uitzicht op een nu witte berg, tussen mensen die nog steeds even vriendelijk zijn en met eten dat nog steeds fantastisch smaakt. Het is nog even spannend of we überhaupt wel kunnen skiën, aangezien de laatste sneeuw ergens in november gevallen was. De drukte valt bij aankomst vooralsnog mee. De auto parkeren we bijna naast het hotel.

De aller vriendelijkste receptioniste ziet ons om 07.30 uur ’s ochtends aankomen en overhandigt ons direct een sleutel van de kamer. Wauw, dit hadden we in de zomervakantie ook al zo ervaren. “Jullie kamer is al klaar en het ontbijt staat op jullie te wachten!” Na een lange reis is er niets zo heerlijk als aanschuiven bij het ontbijt en daarna direct je kamer in kunnen. Nadat de koffers zijn uitgepakt, is het eerste wat we doen een paar uur bijslapen. Maar al snel worden we wakker van schaterlach, gejoel en skigeluiden. Ik open de balkondeur en kijk uit op een kinderklas die al glijdend en skiënd naar beneden komt.

Op dag één doen we eigenlijk niet zo veel. Normaal zouden we spullen wegbrengen naar de piste en inkopen doen voor de après-ski. Maar we zitten al aan de piste en we zijn dit keer maar met z’n tweetjes. Toch rijden we in de middag naar het dorp, bezoeken de bekende winkels, gaan ’s middags langs bij ons stamcafé voor een stuk taart met koffie en halen alvast de skipassen.

In het hotel heerst een gezellige bedrijvigheid en alleen tijdens het diner, wanneer het restaurant geopend is, zit alles vol. Ik vraag me af wanneer de chaos echt begint.

Die blijft uit. Geen chaos, geen drukte. We worden getrakteerd op een paar heerlijke, zonovergoten dagen met witte pistes en na dag drie zelfs verse sneeuw. De omgeving ziet er direct sprookjesachtig uit. Het is een magische week. Soms hebben we afdalingen helemaal voor ons alleen. Gondels en liften waar niemand staat te wachten. De langste wachtrij was welgeteld drie minuten. In de restaurants worden we met alle egards bediend.

Dit jaar vierden wij geen kerst thuis, met een boom, cadeautjes en je druk maken over welke gerechten er klaargemaakt moeten worden. We zaten in Oostenrijk, lieten ons verwennen en in de watten leggen. De eerste kerstdag was dan ook echt fantastisch en een cadeautje aan onszelf. We weten nu dat de echte drukte pas in de tweede week losbarst, met oud en nieuw. Goed om te weten, wanneer we nog eens een kerst-ontsnappingsweek willen inlassen.

Eerste kerstdag 2025

Dit jaar maakte mij…

2025… wat een jaar.
Dit keer geen grootse entree, maar fases die stukje bij beetje aan me draaiden, tot ik ineens merkte: ik ben veranderd, in de beste zin van het woord. Het gebeurde niet in één keer. Het was een subtiele verschuiving, maar wel op álle vlakken. Ik voelde het in mijn werk, mijn opleiding tot energetisch coach, mijn (oefen)sessies, mijn eigen groei. Soms ging het soepel, soms stuiterend, alsof een les zich nét iets te graag wilde laten zien. Maar achteraf bleek alles precies in lijn te liggen met wie ik ben en waar ik naartoe beweeg. Met wat ik mocht loslaten en waar ik in mocht groeien.

Dit jaar heeft me verrast, uitgedaagd, wakker geschud, maar vooral: verdiept. In mezelf, in mijn werk, in mijn energetische gevoeligheid, eigenlijk op alle fronten. En als ik terugkijk, zie ik geen lijstje met gebeurtenissen… ik zie lagen. Lagen die zijn losgelaten, geopend, aangeraakt, geheeld.

En nu, aan het einde van dit jaar, voel ik vooral één ding: dankbaarheid. Voor de magie, de onverwachte wendingen, de mensen die op mijn pad kwamen én de stukken die me stevig aan het werk hebben gezet. Ik heb gelachen, gevloekt, gehuild, doorgezet, afgestemd, losgelaten en vooral… gekozen. Voor mezelf. Voor mijn eigen pad. Voor mijn manier van werken, zelfs als die anders is dan hoe het “hoort”.

Als ik terugkijk op dit jaar, zie ik niet alleen wat ik heb gedaan, maar vooral wie ik ben geworden: steviger, zachter, helderder. En ergens voel ik… dit is nog maar het begin. Voor nu las ik een korte blog-winterstop in en ga ik de rest van het jaar heerlijk genieten van dit gevoel en van alles wat nog komt.

Dank aan iedereen die hier meeleest en extra dank aan iedereen die de moeite neemt om een reactie achter te laten. Jullie zijn goud waard!!

Ik wens je een heerlijke, zachte en liefdevolle decembermaand. Tot in 2026…

Op koers in mijn leven...

De kunst van instorten…

20.30 uur. De avondmaaltijd net achter de kiezen en het enige dat ik doe is gapen. Oh en het slaap uit mijn ogen wrijven. Ik ben zo moe dat ik amper uit mijn ogen kan kijken. Ik blijf nog heel even bankhangen, maar wanneer de klok 21.00 uur aantikt verplaats ik mij van de bank naar mijn bed. Ik neem niet eens de moeite om onder de douche te springen of mijn gezicht überhaupt schoon te maken. Met één oog dicht lees ik nog een halve bladzijde maar ga dan toch echt plat. Ik slaap als een blok en wordt pas wakker als de wekker gaat. 

Dit ritueel herhaald zich de komende paar weken. Het lukt mij gaandeweg om de tijd iets te verplaatsen, van 21.00 naar 22.00 uur. Maar echt lekker slapen is er niet meer bij. Ik droom heel veel en heb gebroken nachten. Ik herkauw wat ik de dag ervoor heb gedaan en wat ik de komende dagen moet gaan doen. Ik ben vatbaarder dan ooit voor een verkoudheid of griep en ik voel mij opgebrand. Niet omdat het overal misgaat, maar omdat ik tussen al het “moeten door” vergeten ben adem te halen. Ik weet ook dat dit niet veel langer zo door kan gaan.

Nu ik een nieuwe functie heb vind ik dat ik van alles moet. Het zien, opmerken, horen en daar ook nog eens naar moeten handelen. Wat kan ik wel, wat niet. Wat wordt er nu wel en wat niet van mij verwacht? Ik maak het mijzelf niet echt makkelijk. Daarnaast gaat mijn eigen opleiding gewoon door en tot overmaat van ramp heb ik ja gezegd tegen het volgen van een cursus voor mijn werk. En allebei brengen ze ook nog eens aardig wat huiswerk met zich mee. Ik stop te veel werk in een dag en dat een aantal weken lang. Blijkbaar is deze wijze van werken niet iets waar ik energie van krijg.

Van een van de dames uit mijn intervisiegroep krijg ik een opdracht mee die helemaal aansluit bij deze periode. Niet het moeten, willen, eisen, drammen en alsmaar blijven gaan. Juist nu is het belangrijk om even te vertragen, los te laten, te reflecteren en opnieuw in balans te komen. Keer eens naar binnen en kijk wat je niet (meer) hoeft mee te dragen. Het is de tijd om oude gewoontes en overtuigingen los te laten. Het creëren van een nieuwe bodem die de tijd mag krijgen om stevig in te bedden. En daar mag ik ook echt de tijd voor nemen. 

De kleine maar eenvoudige opdrachten die ik van haar krijg zetten mij aan het denken. Het enige dat ik hoef te doen is daadwerkelijk de tijd hiervoor vrij te maken en in de flow in zachtheid bij mijzelf te blijven. Ze brengen mij weer met beide voeten aan de grond. Alsof er een sluier voor mijn ogen wordt weggehaald. Heel bewust haal ik adem en kijk dan nog een keer. Ik kijk naar waar ik vandaan kom en waar ik nu sta. Het voelt als een kantelpunt. Heel het jaar heb ik gewerkt aan groei, actie en verbinding. En nu mag ik loslaten, reflecteren en in balans komen. Opnieuw verbinden met mijzelf door een pas op de plaats te maken. Een soort kalibreren van het geheel, zodat we daarna weer lekker kunnen knallen.