Mijn vertraging…

Vanaf halverwege de lente tot ergens eind zomer wandel ik bijna iedere ochtend mijn rondje door het park. En dat geheel vrijwillig. De wekker gaat om 05:00, ik stap naar buiten en het is stil. De hele wijk is nog in diepe slaap en ik ben de enige die besloten heeft dat dit een goed idee is. Het licht is zacht, de lucht fris. Ik voel me elke keer een beetje trots dat ik dit doe. Het is een momentje voor mijzelf. En een kleine overwinning wanneer ik kies voor bewegen in plaats van snoozen in bed tot ik er echt uit moet.

Maar inmiddels is het alweer een paar weken erg donker rond dit tijdstip. Het soort donker waarbij je je moet afvragen of het wel handig is om nu buiten te zijn. En ook het weer zit niet echt mee. Geregeld komt het met bakken uit de hemel. De straten voelen dicht, de lucht zwaar, en ik merk een lichte tegenzin. Nu maar even niet. Dus ik luister. Ik ruil mijn wandelingen in voor iets anders. Iets dat ik ook binnen kan doen terwijl de wereld nog op slot zit.

Terwijl niet alleen vriendlief, maar ook de hele wijk nog slaapt, rol ik mijn yoga‑matje uit. Ik verruil mijn pyjama voor warme comfortabele kleding. Ik steek kaarsjes aan. Zodat ik mijn eigen bubbel van warmte, coziness en stiekem ook een beetje voor de sfeer, creëer. Want buiten regent het echt keihard. Ik hoor de druppels tegen het raam slaan. En zo kan ik toch lekker landen en wakker worden. De natuur heeft ook zo zijn manieren om te laten zien dat het gewoon fijner is om binnen te blijven.

Ik start met rekken, strekken en alles losgooien wat vastzit. Mijn heup natuurlijk weer vooraan in de rij, want die heeft altijd wat te melden. Van het vele zitten of het vele lopen, of te weinig rekken en strekken. Ik duw, rek en adem, ik vloek zachtjes. Ik handel vaak achteraf. Wanneer ik dus al last heb en de boel eigelijk al vast zit. Maar ook achteraf werkt het. Het rekken bedoel ik dan. Weet je hoe lekker het voelt om je spieren losser te voelen zitten en je lichaam langzaam weer doorbloed raakt? Als dat geen goede start van de dag is?!

Pas daarna ga ik zitten. Stil, ademend en aanwezig. Mijn gedachten zijn inmiddels ook wakker en komen allemaal tegelijk binnen. Ik laat ze rustig uitwaaieren. Ik staar in een van de kaarsjes en kijk terug op wat geweest is. Een lastige periode. Sommige dingen die zijn gebeurd hebben iets bij me geraakt, maar ze hoeven daarmee niet van mij te worden. Ik mag voelen wat het met me doet, zonder het mee te slepen. Dus ik laat los en geef het terug. Ik zet een intentie voor de dag, klein en haalbaar, iets dat past bij de manier waarop de herfst sinds enige tijd een soort natuurlijke vertraging in mijn systeem zet.

De regen tikt door, het huis slaapt nog, en ik zit daar in mijn eigen cocon. Geen haast, geen prestatie, geen stappen tellen. Gewoon ik, mijn matje, mijn adem en weten dat dit precies is wat ik nu nodig heb. De wandelingen komen wel weer terug wanneer het licht terugkomt. Voor nu is dit mijn ochtend. Mijn ritme. Mijn vertraging.

Van sprookjesdorp naar wijnstad, onderweg naar Cochem…

Na een uitgebreid ontbijt checken we uit bij het eerste hotel van onze vakantieweek in Duitsland. Vandaag verruilen we Monschau voor Cochem. Tenminste… dat is het plan. In plaats van de snelste route, laten we ons door de Eifel slingeren. Letterlijk. Bocht na bocht, heuvel op en heuvel af. We passen ons tempo helemaal aan, aan de gemoedelijke sfeer die er hangt. Gelukkig zit ik niet achter het stuur. Daardoor kan ik ongegeneerd uit het raam staren en voortdurend roepen: “Oh kijk, daar!” 

Het landschap is prachtig. De bomen beginnen voorzichtig hun zomergroen los te laten en hier en daar verschijnen de eerste herfstkleuren. Achter iedere bocht wacht weer een ander uitzicht. Alsof iemand steeds een nieuw decor neerzet. En dan die dorpjes… Sommige bestaan enkel uit drie huizen, een kerk en een mesthoop. Toch heeft ieder dorpje iets charmants. Het voelt alsof we de hele dag van het ene sprookje in het andere rijden.

Eigenlijk staat Burg Eltz vandaag ook op de planning. Maar het probleem met mooie routes is dat er achter iedere bocht weer iets nieuws opduikt waardoor we veel langer onderweg zijn dan gepland. Dus nemen we een verstandig besluit. Burg Eltz blijft nog even staan waar het al eeuwen staat en wij bewaren dat bezoek voor later deze week.

Wanneer we uiteindelijk in Cochem aankomen, worden we vriendelijk ontvangen in ons hotel. Een kleinschalig hotel met kamers die zó ruim zijn dat je er met gemak een compleet gezin kunt laten logeren zonder elkaar in de weg te lopen. Na een uitgebreide lunch duiken we het centrum in.

Ik had eerlijk gezegd verwacht dat we ons tussen de toeristen door zouden moeten worstelen. Maar dat valt verrassend mee. Het is levendig en gezellig druk. Het eerste wat opvalt is natuurlijk de Reichsburg. Hoog boven het stadje staat het kasteel op zijn rots fier te pronken. Ondanks dat je er niet met de auto kunt komen, kun je er ook simpelweg niet omheen. Vanuit bijna iedere hoek van de stad kijkt het mee. Iedere keer als ik naar boven kijk verwacht ik een draak of een prinses te zien. Het geeft Cochem die sprookjesachtige uitstraling waarvoor zoveel mensen hierheen komen. Tenminste, dat denk ik. 

De steile heuvels rondom het stadje zijn bedekt met wijnranken. Cochem staat bekend om zijn wijnen. Overal vind je wijnkelders, proeflokalen en terrassen waar enthousiast wordt geproefd. Dat hele wijnverhaal gaat grotendeels aan ons voorbij. Wij zijn namelijk niet zulke wijnliefhebbers. Wel blijf ik even staan bij een automaat waar je naast een zak chips en blikje cola ook gewoon een fles wijn kunt kopen.

De historische binnenstad heeft kleurrijke vakwerkhuizen, smalle straatjes, oude stadspoorten en gezellige pleinen met terrassen en restaurants. Aan de rand van het centrum vertrekt een stoeltjeslift naar een uitzichtpunt boven de stad. Vanaf daar kijk je uit over de wijngaarden en de kronkelende Moezel die zich door het landschap slingert. Op het water varen ondertussen de rondvaartboten af en aan voor zowel korte als lange tochten. Lekker kneuterig en über toeristisch maar we doen er met alle plezier aan mee. 

Cochem is deze week onze uitvalsbasis terwijl we overdag de Eifel verder gaan verkennen. En iedere dag pakken we een toeristische trekpleister mee. Deze vakantie gaat in ieder geval niet de boeken in als een typische relax-vakantie.

Als de zomer zich terugtrekt en ik dat stiekem ook doe…

De zomer zakt langzaam weg uit de dagen. Het licht verandert, de lucht wordt frisser en ik merk dat mijn lijf automatisch een tandje terugschakelt. Of heel misschien komt het omdat ik er dit jaar gewoon wat bewuster mee bezig ben. Rustiger aan. Niet alles tegelijk. Meer aandacht voor wat ik daadwerkelijk aan het doen ben. En ik merk dat ik daar steeds meer plezier in krijg.

Ook in huis ontstaat een soort zachte drang om alles weer om te bouwen tot een warm nest van plaids, zachte stoffen en kaarsen die ruiken alsof ik mijn eigen cabin in de bergen bezit. Ik trek een kleedje over me heen, zet een kop koffie en creëer een hoekje dat voelt als een klein toevluchtsoord. Een plek waar niets moet en ik gewoon mag zitten en zijn.

En dat comfort is misschien minder onschuldig dan het lijkt. Er is steeds meer onderzoek naar de invloed van onze omgeving op hoe we ons voelen. Factoren als licht, kleur, geluid, materialen en de mate waarin een omgeving vertrouwd en prettig aanvoelt, kunnen invloed hebben op stress en ons gevoel van welzijn. Een cozy hoekje is dus gewoon wetenschap. 

Terwijl de avonden korter worden, merk ik dat ik vanzelf meer naar binnen keer. Ik pak geregeld mijn journal erbij en schrijf een paar regels. Gedachten, een vraag, of een terugblik op de dag. Reflecteren helpt om ervaringen te ordenen en gedachten en emoties beter te begrijpen. Het voelt misschien als iets kleins, die paar minuten schrijven, maar juist zulke kleine momenten kunnen ervoor zorgen dat je weer wat overzicht krijgt in je hoofd. En over kleine gewoontes, groot verschil, schreef ik al eens eerder.

Sinds de lente ben ik ook vaker buiten aan de wandel. De natuur vertraagt en ik vertraag mee. Wandelen in een groene omgeving, wordt in onderzoek regelmatig in verband gebracht met minder stress, een betere stemming en meer mentale rust. En dat herken ik inmiddels zelf ook. Want ergens onderweg lijkt de ruis in mijn hoofd als vanzelf wat zachter te worden. Kom maar door met die heerlijk herfstmomenten buiten. 

De natuur nodigt uit om even uit de drukte te stappen en terug te komen bij jezelf. En dat is precies wat deze overgang van zomer naar herfst voor mij betekent: thuiskomen. In mijn huis, ritme en hoofd. Het seizoen geeft me toestemming om zachter te leven en te vertragen. Om momenten te kiezen die goed voelen. Om mijn dagen zo in te richten dat ze me dragen in plaats van uitputten.

Het is bijna grappig hoe simpel het eigenlijk is. Maar juist die kleine dingen maken het leven voller, rustiger en warmer. Ze zorgen ervoor dat je je eigen dagelijkse leven weer voelt. Dat je er middenin staat, in plaats van er voortdurend doorheen te rennen, zoals we gewend zijn.

Dit is iets waar ik meer aandacht aan wil geven: de kunst van het gewone leven wat aangenamer maken. Niet door alles om te gooien en een perfect huis of een perfect leven na te streven. Maar door bewuster te kijken naar de kleine dingen die een dag fijn kunnen maken. Een fijne plek om te zitten. Een wandeling wanneer mijn hoofd vol zit. Een huis dat warmte uitstraalt. Een rustig moment voordat de dag begint. Of een kop koffie zonder ondertussen nog drie andere dingen te doen.

Dit seizoen nodigt uit tot vertragen, verzachten en genieten van wat dichtbij is.
En ik ga daar volledig in mee.

De stille magie van 05.00 AM…

Dat ik dus iemand ben geworden die vrijwillig om 04.45 uur wakker wordt… Iets wat ik eigenlijk alleen zou doen als ik met vakantie ga. Maar inmiddels is het vaste prik: ik, mijn wekker, en een ochtendwandeling die voelt als een soort mini‑retraite in het park.

Het begon allemaal met een simpel doel: mijn stappen halen vóór werktijd. Praktisch en meetbaar. Maar zoals dat gaat met dingen die goed voelen, liep het uit de hand. Niet obsessief, maar meer in de categorie: “Waarom voelt mijn dag incompleet als ik niet minstens 3 kilometer heb gelopen voordat de rest van Nederland zijn eerste koffie drinkt?” 

De eerste paar dagen waren pittig. Rond 20.00 uur was ik een soort uitgeknepen vaatdoek. Maar wonder boven wonder wende ik snel. Mijn lichaam besloot dat 04.45 uur een prima tijd is om wakker te worden. Wat ik merk, is dat die ochtendwandeling veel meer doet dan alleen mijn stappenteller blij maken. Mijn gezicht ziet er minder pafferig uit (mooi meegenomen), mijn benen voelen steviger, mijn heup klaagt niet meer, en ik loop letterlijk vóór op de rest van de wereld. Terwijl anderen nog liggen te dromen over wat dan ook, loop ik al tussen de bomen door te ademen alsof ik een soort zen‑monnik ben.

En dan komt het nuchtere stuk. Er is namelijk niets zweverigs aan vroeg opstaan. Je hersenen zijn ’s ochtends nog leeg. Geen mailtjes, geen collega’s, geen kinderen. Je brein staat nog in de stand “vers wit papier”. Dat maakt het makkelijker om helder te denken, rustiger te voelen en überhaupt te onthouden dat je een mens bent en geen wandelende to‑do‑lijst. Wandelen in de ochtend zet je cortisolcurve recht. Je lichaam krijgt een duidelijke “goedemorgen, we gaan beginnen”-signaal, waardoor je energie over de dag gelijkmatiger blijft. Minder dipjes, minder snaaigedrag, minder momenten waarop je ineens met je hoofd in een zak chips hangt en niet weet hoe je daar bent beland.

Zelfs het daglicht werkt mee. Ook als het halfdonker is, krijg je al genoeg licht binnen om je biologische klok te resetten. Dat betekent beter slapen, sneller wakker worden, minder zombie‑gedrag. Je kunt dit zien als gratis therapie. Gewoon een park met een paar bomen, frisse lucht en je eigen benen.

Hoewel het zomer is, is het rond 05.00 uur nog niet zo licht als een paar weken geleden. En het is ook iets frisser als toen ik er net mee begon. Mijn topje is inmiddels ingeruild voor een jasje, en ik ben alternatieve routes aan het bedenken voor wanneer het écht te donker is, want ik ben wel toegewijd, maar niet naïef. Mijn regenkleding ligt ook al klaar, al weet ik nog steeds niet of ik mij vrijwillig zeiknat wil laten regenen. Ook hier, toegewijd maar niet gek. Voor nu kijk ik in ieder geval elke ochtend uit naar dat rondje wandelen.

Zijn er nadelen? Tuurlijk. Soms ben ik overdag moe. Soms ga ik zelfs eerder naar bed dan Groene Draak. Maar de voordelen zijn eindeloos: actiever voelen, minder honger, minder snaaigedrag, stevigere bovenbenen, een blije heup en een hoofd dat veel rustiger is. Dus wat heb ik geleerd? Dat vroeg opstaan geen straf is, maar een cadeau. En dat ik blijkbaar iemand ben die de dag het liefst begint voordat de rest van de wereld überhaupt heeft besloten wakker te worden.

Wakker vóór de wereld…

Ik ren de afgelopen weken het vuur uit mijn werksloffen, maar mijn stappendoel? Geen schijn van kans. En dan ga ik op vakantie, waar luieren praktisch een fulltime baan is en haal ik datzelfde stappendoel met twee vingers in mijn neus. Waarschijnlijk door de vele rondjes langs het buffet, maar dat detail parkeren we voor dit blog even.

Bij thuiskomst voel ik dat ik die lekkere beweegflow wil vasthouden. Dus ik besluit de volgende dag meteen te gaan wandelen. Alleen kies ik het tijdstip een tikkeltje ongelukkig. Midden op de dag, 30 graden, zon die brandt alsof ik nog steeds op Gran Canaria ben. Ik kom druipend thuis en besluit dat dit anders moet.

De ochtend erna ga ik direct bij het ontwaken op pad. Het kwik klimt opnieuw richting de 30 graden, maar in de vroege ochtend is het nog heerlijk. Zo heerlijk zelfs, dat ik de rest van de week mijn wekker zet, ondanks dat ik nog vrij ben. En iedere dag gaat die wekker een stukje vroeger. Alles om een wandeling te maken. Vriendlief verklaard mij voor gek.

Was ik soms vergeten hoe heerlijk rustig ons park is op dit uur?! De wereld ontwaakt langzaam. De lucht is fris, de stilte bijna tastbaar. Ik hoor de vogels fluiten en alleen dat geluid zorgt al dat mijn dag goed begint. Geen muziek nodig, de natuur doet haar werk.

Mijn werkende leven staat op het punt om weer te beginnen, dus ik besluit mijn wekker nóg iets eerder te zetten. Hij gaat nu om 5:00 af. Terwijl het hele huis nog in diepe rust is, zelfs de vogel want geen early bird, waag ik mij buiten. Met 45 minuten wandelen heb ik al de helft van mijn stappendoel binnen en voel ik me een stuk actiever op het moment dat ik op mijn werk aankom.

Wanneer ik naar bed ga, kijk ik stiekem al uit naar het moment dat ik weer mag lopen. In alle vroegte, met niemand anders dan het ontwaken van de dag en de vogels in de bomen, oh en de slakken op de grond, dat dan wel weer. “De Club van 5AM” stond al even op mijn lijstje en vanaf nu ben ik een waardig lid.

Soms valt me op hoe de zon het park schildert. Iedere ochtend kleurt het licht de bladeren in minstens tien tinten groen. Van fris limoen tot bijna donkergoud. Het lijkt alsof de zon door de takken en bladeren heen een soort natuurlijke filter over de wereld legt. Het park is eigenlijk helemaal niet groot, maar door de kronkelpaadjes voelt het alsof ik door een klein bos loop. Alsof ik telkens een nieuw stukje ontdek dat gisteren nog niet bestond. Het licht speelt verstoppertje tussen de bladeren, werpt strepen op het pad en maakt van een simpele ochtendwandeling een soort mini‑expeditie. Ik merk dat ik langzamer ga lopen, gewoon om niets te missen.

En dan die geuren… De wereld ruikt compleet anders na een nacht regen. Ieder stukje park heeft zijn eigen lucht. Soms loop ik langs een pluk onkruid en word ik verrast door een weelderige zomerse geur. Alsof iemand een fles parfum heeft leeggespoten. Ik blijf even staan, snuif diep in, en laat de ochtend zich helemaal in mij nestelen.

Ik wandel. Ik adem. Ik ben wakker nog vóór de rest van de wereld dat is.
En dat voelt als een cadeautje, elke dag opnieuw.

80 bochten verder, 350 meter hoger…

Na tachtig haarspeldbochten — die direct al in het dal begonnen en eindeloos doorliepen tot aan de top — is het een wonder dat mijn maaginhoud nog steeds zit waar hij hoort te zitten. Aangezien ik deze ochtend iets ruimer ontbeten heb dan gebruikelijk. Een beetje misselijk ben ik wel. Maar na een paar koekjes en een slok water voel ik me al snel een stuk beter.

Bij het openen van mijn deur wordt deze bijna uit mijn handen gerukt. De zon is meedogenloos. De wind nog meer. Natuurlijk had ik weer niet aan een vestje gedacht. Daar denk je niet aan als je wegrijdt met dertig graden en volop zon. Gelukkig ligt er een badlaken op de achterbank, dat ik als een geïmproviseerde cape om me heen sla.

De rit naar de top was minstens zo spectaculair als het uitzicht dat op mij wacht. Het landschap aan de westkust van Gran Canaria is een stuk grilliger en ruiger dan de badplaatsen. Dit deel van het eiland wordt niet voor niets het meest ongerepte stuk genoemd: enorme kliffen, diepe ravijnen en gesteente in kleuren die je bijna niet kunt verzinnen.

We zijn aangekomen bij Mirador del Balcón, een uitkijkpunt dat je absoluut op je lijst moet zetten als je de binnenlanden inrijdt en iets anders wilt zien dan zon, zee en strand. Ik loop achter de familie aan richting de trap die afdaalt naar een platform. Daar moet ik moeite doen om niet direct de afgrond in geblazen te worden; hier waait het nóg harder dan op de parkeerplaats. Gelukkig is het platform afgezet met een glazen wand.

Ik duim dat het geheel stevig in elkaar is gezet, want we hangen letterlijk boven de Atlantische Oceaan aan een steile klif. Volgens de informatieborden op ongeveer 350 meter hoogte. Heel even lijkt het alsof mijn maag zich alsnog tegen mij keert. Maar toegegeven: het uitzicht is prachtig.

De wolken hangen op ooghoogte. Ik kan ze bijna aanraken. Onder mij kolkt en beukt het water van de Atlantische Oceaan tegen de rotsen. Het is machtig om te zien. Zelfs een foto of filmpje geeft niet hetzelfde effect als wanneer je dit met eigen ogen aanschouwt.

Wanneer ik helemaal naar links kijk, zie ik de bekende Drakenstaart: een reeks grillige bergkammen die trapsgewijs richting de zee lopen. Door hun vorm lijken ze op de rug en staart van een draak. Volledig gevormd door vulkanische activiteit, lang geleden natuurlijk, en daarna uitgesleten door wind, regen en oceaankracht tot de puntige formatie die het nu is.

Op de terugweg zie ik een bord waarop staat dat Gran Canaria een UNESCO Starlight‑bestemming is. Dit balkon is een van de donkerste en meest indrukwekkende plekken om sterren te kijken. De combinatie van hoogte, afgelegen ligging en vrijwel geen lichtvervuiling maakt het ideaal voor heldere sterrenhemels, de Melkweg en noordelijke sterrenbeelden zoals de grote en kleine beer en Cassiopeia.

Ik kan hier helaas niet over meepraten, want na een groepsfoto besluiten we onze rit voort te zetten naar het dorpje Agaete, een stukje verderop. En eerlijk… de rit terug in het pikkedonker zou ik stiekem ook niet aandurven.

Half uitgerust, volledig voldaan…

Er is altijd wel één pipo die denkt grappig te zijn. Dit keer was het iemand die doodleuk opmerkt dat onze vlucht misschien wel geannuleerd wordt. “Want ja… benzine hè.” Ik wens hem drie weken lang jeuk en te korte armpjes toe en houd ondertussen met één oog de website in de gaten. Je weet maar nooit. Maar onze vlucht naar Gran Canaria gaat gewoon door. Uiteraard. 

Op het vliegveld is het een georganiseerde chaos, maar de vlucht zelf verloopt verrassend soepel. We landen zelfs eerder dan gepland. Ik wissel lezen en slapen af, een gouden combinatie, en besluit dat een transfer regelen vast slimmer is dan een taxi of meteen een auto huren. Spoiler: dat is het niet. De rit duurt ongeveer drie levens, maar begin van de middag spuugt de bus ons eindelijk uit bij het hotel.

De ooms en tantes, die al een paar dagen eerder zijn aangekomen, staan ons op te wachten alsof we VIP’s zijn. Ze weten zelfs al waar onze kamer is. Sterker nog: die is al voor ons gereserveerd. Drie kamers naast elkaar. Gezelligheid gegarandeerd.

We kleden ons snel om en ploffen neer bij het zwembad. De rest van de dag doen we weinig meer dan eten, zonnen en het hotel verkennen. De komende anderhalve week is dit onze thuishaven. De eerste dagen bestaan uit een strak schema van: liggen, lezen, slapen, eten, drinken en lachen. Het soort ritme waar je lichaam spontaan van ontspant.

Op dag drie huren we een auto voor de rest van de periode. De benzine is hier ook duurder geworden, maar met €1,31 per liter nog steeds prima te doen. Navigatie hebben we niet nodig, we kennen het eiland inmiddels half uit ons hoofd. Al verrast mijn tante ons alsnog met excursies naar plekken waar ik nog nooit van gehoord heb.

We bezoeken Mirador del Balcon, een uitzichtpunt waar je de beroemde “drakenstaart” ziet. (daarover in een ander blog meer) We lunchen voor een appel en een ei in Agaete. We zoeken naar grotwoningen in the middle of nowhere, waar zelfs je telefoon geen bereik heeft. Er worden flessen rum gevuld in de distilleerderij van Arucas, maar daar zijn wij niet bij, want shoppen. Iets met prioriteiten.

Via vijf omwegen (want wel navigatie maar niet luisteren) rijden we naar Pico de Bandama, naast de gigantische krater Caldera de Bandama. Het uitzicht over het eiland is fantastisch en daar lunchen we opnieuw heerlijk. We bezoeken stadjes, shoppen tot we een ons wegen (niet handig, want alles moet mee terug), en wandelen door Puerto de Mogán voor koffie aan het water en uitzicht op de boten.

De rest van de tijd vullen we met luieren, lezen, eten en momenten waarop we letterlijk huilen van het lachen. Bij het zwembad, op het strand, aan tafel, het maakt niet uit waar, wij kunnen overal een feestje van maken. En dat wordt ook letterlijk gedaan wanneer de verjaardag van vriendlief dunnetjes overgedaan wordt met een versierde tafel, een verjaardagsliedje en taart. 

En dan ineens… is het voorbij. De tijd vliegt, zoals altijd wanneer je het leuk hebt. We pakken onze koffers en schuiven en meten al onze aankopen erin alsof we meedoen aan een spelletje Tetris, en nemen afscheid van onze tijdelijke thuishaven. 

Met een hoofd vol zon, een maag vol tapas en een hart vol herinneringen vliegen we terug naar huis.

Uitzicht vanuit ons hotel. Een dagje strand en een wandeling langs de ruige zee.

Dankbaar voor nog een rondje…

Een week voor haar verjaardag krijg ik een appje van mijn tante. Of we zin hebben om een bakkie te komen doen. Ze is jarig. Niks groots, niks fancy, gewoon een gezellige avond met een paar familieleden en vrienden.

We praten bij met deze en gene, en worden tussendoor realtime op de hoogte gehouden van hoe je een smartie uit de neus van een vierjarige peuter verwijdert. En, voor het geval je het je afvraagt, wat de huisartsenpost doet als dat níet lukt. De avond was naast gezellig dus ook nog eens verrassend educatief.

Bij het afscheid zei mijn tante tussen neus en lippen door:
“We moeten het leven vieren, Boor. Er zijn ons al te veel mensen ontvallen.”
En daar had ze natuurlijk helemaal gelijk in. Wanneer het kan: vieren. Het leven, elkaar, de momenten die we wél krijgen. Want het is ons niet allemaal gegeven om morgen weer gezond op te staan. Of überhaupt op te staan.

Een paar weken later ben ik zelf jarig. En laat ik eerlijk zijn: ik vier mijn verjaardag dus nooit. Ik vind het niks om zo in het middelpunt te staan. Je huis vol visite, zelf de hele avond heen en weer rennen, en uiteindelijk met niemand écht praten. Het voelt eerder als een verplicht nummer dan als “het leven vieren”.

Wat ik wél altijd doe: uit eten met het gezin. De ene keer uitgebreid, de andere keer gewoon lekker naar het pannenkoekenhuis. (Niks mis met een goede pannenkoek. Laat dat heel duidelijk zijn!!) Maar de woorden van mijn tante bleven maar rondzingen in mijn hoofd. “Vier het leven, Boor.”

Dus besloot ik het dit jaar anders te doen. Een klein feestje. Niet thuis, ik ben niet gek, maar in een Indonesisch restaurant. Heel toepasselijk. Ik reserveerde een grote ronde tafel en nodigde, naast vriend- en zoonlief, een klein select groepje mensen uit. Heel divers, maar allemaal types waarvan ik wist: dit komt goed. Iedereen kan met iedereen praten. Niemand hoeft sociaal te overleven in een hoekje.

En zo zaten we die avond met z’n allen aan die ronde tafel. Het paste precies. De ruimte voelde intiem, bijna alsof we de toko voor onszelf hadden. Ik mocht een toast uitbrengen die eindigde met de traditionele “PROOOOST!”. We liepen meermaals langs het heerlijke buffet, ik werd verwend met cadeautjes en kreeg zelfs vuurwerk in mijn ijs als toetje.

Het voelde meer dan goed.
Goed om stil te staan bij het verjaren.
Goed om gezond en wel aan tafel te zitten.
Goed om even stil te staan bij mezelf, bij hoe lang ik al op deze aardbol rondloop en hoe graag ik dat nog heel lang wil blijven doen.

En misschien… heel misschien… vier ik het volgend jaar gewoon weer.
Niet groots. Niet fancy. Maar wel bewust.
Want het leven vieren, dát is precies wat we vaker mogen doen.

Verjaardagskaart

De strijk kan wachten…

Mijn telefoon gaat net voor ik de stekker van de strijkbout in het stopcontact steek. Onhandig stap ik over de wasmand met nog te strijken kledingstukken, blijf met mijn voet in de wasmand met vuile was steken, die er heel ongelukkig pal achter staat. Ik sleep al struikelend de wasmand achter mij aan naar de andere kant van de kamer om mijn telefoon te pakken. Of ik zin heb om mee te gaan naar haar paard? Ja natuurlijk! 10 keer leuker dan wat ik op het punt sta te gaan doen. Binnen 5 minuten ligt alles weer op zijn eigen plek, inclusief de wasmand met vuile goed en ben ik omgekleed. Ik ben even naar stal, gil ik door de gang als ik onderweg ben naar mijn auto.

Zo, dat is lang geleden. Dat we elkaar gezien hebben maar ook dat ik in de buurt van een paard geweest ben. De laatste keer was net na de wintersport. Daarna ging iedere vrije minuut in mijn werk of het leren zitten. De keren dat ik echt vrij was lag ik gesloopt op de bank of ergens in de tuin in de zon, bij te tanken. 

Onderweg pik ik vriendin op en rijden we naar haar stal. Het waait stevig vandaag maar de zon schijnt ook. We hebben heel wat bij te praten en nemen daar ongemerkt ook echt de tijd voor. Als we aankomen is er verder niemand. De paarden hebben naast hun binnenstal ook een buitenstal, een zandpaddock en een gigantisch grote boomgaard tot hun beschikking. De paarden mogen naar believen lopen waar ze willen. Je moet vooral geen haast hebben, want als je pech hebt ben je even aan het zoeken naar je paard. 

Op goed geluk wandelen we een richting uit. Halverwege hebben we nog geen paard gezien. Wel wat geitjes, honden en een kat. En heel veel perenbomen die al mooi in bloesem staan. Vriendin fluit het voor haar paard bekende deuntje. Het duurt niet lang of we zien bij “gangpad 33A” een paard verschijnen. Geheel op haar gemak wandelt ze onze kant op. 

We begroeten elkaar als oude bekenden. Wat leuk om haar weer te zien. En ook hoe ze zo op haar gemak is hier. Tussen alle bomen in weet ze prima haar weg te vinden. Het blijft bijzonder dat ze haar eigen kudde loslaat en al slalommend op het fluitje van haar baas af komt lopen. In vol vertrouwen. En misschien de wetenschap dat er een snoepje in een van de jaszakken zit.

Zonder halster of touw wandelen we het hele stuk, inclusief paard, terug naar voren. Aangekomen bij de stal kunnen we flink aan de poets. En dat is iets wat ik toch stiekem wel een beetje gemist heb. Zeker in het voorjaar, wanneer de wintervacht loslaat. Niets geeft zoveel voldoening om dan met een roskam en zweetmes in de weer te zijn. De plukken vacht vliegen mij om de oren. De vogels in de boomgaard zijn er ook erg blij mee. We gaan net zolang door tot ze er weer glimmend bijstaat.

Het waait nog steeds erg hard. Een ritje of wandeling zit er niet in. Maar een graassessie in de zon vind iedereen oké. Na twee en half uur kom ik weer thuis. Uitgewaaid en bijgekletst. En de strijk? Die is allang weer vergeten.   


Rear view of a brown and white paint horse standing on a grassy path between rows of white blooming trees.
Tussen de bomen, in de zon…

De berg fluistert: “Ga spelen jij!”

“Oooh het sneeuwt!” roep ik als ik ’s morgens de gordijnen en tegelijk het raam open doe. Dikke vlokken dwarrelen op topspeed uit de hemel en voelen koud aan op mijn hand. Aan het dikke pak dat de bomen siert is te zien dat het al even aan de gang is. Tijdens het ontbijt zitten we met onze vertrouwde groep aan tafel bij het raam. Al die jaren dat we hier komen heeft het nog nooit zo hard gesneeuwd als nu. Het is prachtig! 

De rij bij de gondel wordt alleen gesierd door de medewerker. Er is verder niemand. Of we zijn vroeg, of niemand wil met dit weer de berg op. Onze groep heeft zich inmiddels ook opgesplitst. Eén is alvast de berg op. Twee komen wat later en wij gaan met zijn drieën naar boven. Halverwege begint het flink te waaien. De gondel wiegt heen en weer. Ik voel er niks voor om helemaal naar boven te gaan en weggeblazen te worden. Dus zeg ik de heren gedag en stap er bij het middenstation uit. 

Ik ben helemaal alleen. Het witte tapijt ligt onaangeroerd voor me. Bijna heilig. Even twijfel ik. Het ziet er zo mooi uit. Toch klik ik mijn bindingen vast. Sommige stiltes vragen om chaos.

Boven mij hoor ik een plotseling kabaal. Als ik mij omdraai zie ik een aantal skileraren zonder klasje. De een na de ander maakt een sprong over een hobbel ergens halverwege de berg. Onder luid gejuich van de rest. Groot gelijk hebben ze. De berg heeft er nog nooit zo prachtig bij gelegen als nu. Als ze voorbij zijn daalt de stilte weer neer en ze hebben nog een stukje berg onaangeroerd voor mij achter gelaten. 

De sneeuw komt nog steeds met prachtige dikke vlokken uit de hemel. Maar ik heb er totaal geen last van. Nog nooit eerder heb ik door zoveel verse sneeuw geboard. Zo moet dat dus voelen als je off-piste gaat op stukken ongerepte berg. Mijn onderbenen verdwijnen in de sneeuw en ik weet even niet hoe ik moet sturen. Oké, zo voelt het dus voor iemand die nooit van de gebaande paden afwijkt. De ervaren offpiste-boarder haalt zijn neus op voor dit pak sneeuw. 

Ik merk dat ik even mijn balans moet zoeken. Maar het lukt om grip te krijgen. Voor ik het weet drijf ik op de sneeuw. Mijn board zakt niet meer weg maar tilt me op. Alsof de berg deelt in mijn plezier en besluit me even te dragen in plaats van te testen. Ik surf op de sneeuw, een ander woord heb ik er niet voor. Ik maak grote bochten, kleine bochten. Versnel hier en rem daar. Ik laat een heel spoor (aan vernieling van sneeuw) achter mij. Ik heb de afdaling bijna helemaal voor mij alleen en geniet met volle teugen.  

Halverwege word ik weer ingehaald door de twee heren. Ik merk pas dat ik de hele rit met een brede grijns van de berg afgekomen ben nadat ik hen probeer te groeten en de kramp niet in mijn voeten maar in mijn kaken voel. 

Grappig hoe dezelfde sneeuw in Nederland voelt als last met files, natte sokken en kou. Maar hier voelt het als een cadeau en is het dubbelop genieten.