Een week voor haar verjaardag krijg ik een appje van mijn tante. Of we zin hebben om een bakkie te komen doen. Ze is jarig. Niks groots, niks fancy, gewoon een gezellige avond met een paar familieleden en vrienden.
We praten bij met deze en gene, en worden tussendoor realtime op de hoogte gehouden van hoe je een smartie uit de neus van een vierjarige peuter verwijdert. En, voor het geval je het je afvraagt, wat de huisartsenpost doet als dat níet lukt. De avond was naast gezellig dus ook nog eens verrassend educatief.
Bij het afscheid zei mijn tante tussen neus en lippen door:
“We moeten het leven vieren, Boor. Er zijn ons al te veel mensen ontvallen.”
En daar had ze natuurlijk helemaal gelijk in. Wanneer het kan: vieren. Het leven, elkaar, de momenten die we wél krijgen. Want het is ons niet allemaal gegeven om morgen weer gezond op te staan. Of überhaupt op te staan.
Een paar weken later ben ik zelf jarig. En laat ik eerlijk zijn: ik vier mijn verjaardag dus nooit. Ik vind het niks om zo in het middelpunt te staan. Je huis vol visite, zelf de hele avond heen en weer rennen, en uiteindelijk met niemand écht praten. Het voelt eerder als een verplicht nummer dan als “het leven vieren”.
Wat ik wél altijd doe: uit eten met het gezin. De ene keer uitgebreid, de andere keer gewoon lekker naar het pannenkoekenhuis. (Niks mis met een goede pannenkoek. Laat dat heel duidelijk zijn!!) Maar de woorden van mijn tante bleven maar rondzingen in mijn hoofd. “Vier het leven, Boor.”
Dus besloot ik het dit jaar anders te doen. Een klein feestje. Niet thuis, ik ben niet gek, maar in een Indonesisch restaurant. Heel toepasselijk. Ik reserveerde een grote ronde tafel en nodigde, naast vriend- en zoonlief, een klein select groepje mensen uit. Heel divers, maar allemaal types waarvan ik wist: dit komt goed. Iedereen kan met iedereen praten. Niemand hoeft sociaal te overleven in een hoekje.
En zo zaten we die avond met z’n allen aan die ronde tafel. Het paste precies. De ruimte voelde intiem, bijna alsof we de toko voor onszelf hadden. Ik mocht een toast uitbrengen die eindigde met de traditionele “PROOOOST!”. We liepen meermaals langs het heerlijke buffet, ik werd verwend met cadeautjes en kreeg zelfs vuurwerk in mijn ijs als toetje.
Het voelde meer dan goed.
Goed om stil te staan bij het verjaren.
Goed om gezond en wel aan tafel te zitten.
Goed om even stil te staan bij mezelf, bij hoe lang ik al op deze aardbol rondloop en hoe graag ik dat nog heel lang wil blijven doen.
En misschien… heel misschien… vier ik het volgend jaar gewoon weer.
Niet groots. Niet fancy. Maar wel bewust.
Want het leven vieren, dát is precies wat we vaker mogen doen.







