De rest van de middag wachten we op een telefoontje van de duivenvereniging. Maar dat blijft uit. Ik heb nog wat tijd over dus loop naar het park om verse klaver, grasjes en paardenbloemblad voor Pidgey te plukken. Ter afwisseling van zijn gekiemde zaadjes, geweekte brokken en geplette Nutriberries. Als ik terugkom, waggelt hij achter me aan naar zijn verblijfplaats. Hij duikt meteen in het doosje met verse grasjes en scharrelt het hele boeltje door. Ik sta erbij en kijk ernaar, half trots, half vertederd. Wie had gedacht dat ik in drie dagen tijd een band met een duif zou krijgen.
Maar uiteindelijk moeten wij er ook vandoor. We hebben meer te doen dan zorgen voor een gevederde logé. Ik voorzie hem nog één keer van vers water, zet alles netjes klaar en sluit de boel af. Pidgey buiten, Draak binnen. De balans in huis tijdelijk herstelt.
Wanneer we na een paar uur terugkomen, weet ik eigenlijk al hoe laat het is. Toch loop ik voorzichtig naar de achterdeur alsof ik het resultaat kan beïnvloeden door zachtjes te lopen. Maar de stilte zegt genoeg. De vogel is gevlogen. Ik loop niet één maar twee rondjes door de tuin. Kijk achter elke steen, stoel en tafel. Ik werp zelfs een blik over het hek bij de buren om zeker te weten dat hij niet ergens ligt. Maar Pidgey is echt weg.
Ik ben blij voor hem. Blij dat hij zich sterk genoeg voelt om zijn vlucht van tig kilometer terug naar huis te hervatten. Tegelijkertijd mis ik hem. Hij was een dankbare gast. Maakte geen herrie. Was blij om ons te zien. En hij gaf me drie dagen lang een soort onverwachte rust in de chaos van het dagelijks leven.
Samen met vriendlief ruim ik het nachthok op. Het zeil wordt netjes opgevouwen. Zijn zitstok professioneel uit elkaar gehaald. De voerbakjes grondig gewassen. De vloer afgespoten en geveegd. Draak, die eindelijk weer mee naar buiten mag, inspecteert alles alsof hij wil controleren of de duif écht weg is.
Net wanneer ik denk dat het verhaal klaar is, hoor ik gefladder en een plof op het dak. Ik kijk omhoog en daar zit hij. Mijn gevederde vriend. Ik roep vriendlief dat Pidgey helemaal niet weg is, maar waarschijnlijk een testrondje heeft gemaakt.
Hij vliegt van het dak, maakt een rondje door de tuin en landt aan mijn voeten. Draak is inmiddels in alle staten. “Weer delen? Met die houtduif? Echt niet!”. Pidgey scharrelt nog wat rond en blijft staan op de plek waar zijn verblijf heeft gestaan. Alleen wat zaadjes en kruimels liggen er nog. Hij kijkt mij aan en ineens weten we het allebei, het is nu echt tijd om verder te gaan.
Aangemoedigd door Draak en mij vliegt hij naar de schutting. Hij kijkt nog één keer achterom, alsof hij ons bedankt. Dan spreidt hij zijn vleugels.
Misschien is dat het mooie van dit soort onverwachte ontmoetingen: ze komen zonder waarschuwing, ze blijven precies zolang als nodig is, en ze laten iets achter dat je niet kunt vasthouden maar wel kunt voelen. En ergens hoop ik dat hij, waar hij nu ook zit, nog even aan ons denkt. Aan zijn tijdelijke thuis. Aan zijn staycation.
Dag grijze vriend.







