Gratis logeren? Vraag het Pidgey … (2/2)

Lees hier deel 1.

De rest van de middag wachten we op een telefoontje van de duivenvereniging. Maar dat blijft uit. Ik heb nog wat tijd over dus loop naar het park om verse klaver, grasjes en paardenbloemblad voor Pidgey te plukken. Ter afwisseling van zijn gekiemde zaadjes, geweekte brokken en geplette Nutriberries. Als ik terugkom, waggelt hij achter me aan naar zijn verblijfplaats. Hij duikt meteen in het doosje met verse grasjes en scharrelt het hele boeltje door. Ik sta erbij en kijk ernaar, half trots, half vertederd. Wie had gedacht dat ik in drie dagen tijd een band met een duif zou krijgen.

Maar uiteindelijk moeten wij er ook vandoor. We hebben meer te doen dan zorgen voor een gevederde logé. Ik voorzie hem nog één keer van vers water, zet alles netjes klaar en sluit de boel af. Pidgey buiten, Draak binnen. De balans in huis tijdelijk herstelt.

Wanneer we na een paar uur terugkomen, weet ik eigenlijk al hoe laat het is. Toch loop ik voorzichtig naar de achterdeur alsof ik het resultaat kan beïnvloeden door zachtjes te lopen. Maar de stilte zegt genoeg. De vogel is gevlogen. Ik loop niet één maar twee rondjes door de tuin. Kijk achter elke steen, stoel en tafel. Ik werp zelfs een blik over het hek bij de buren om zeker te weten dat hij niet ergens ligt. Maar Pidgey is echt weg.

Ik ben blij voor hem. Blij dat hij zich sterk genoeg voelt om zijn vlucht van tig kilometer terug naar huis te hervatten. Tegelijkertijd mis ik hem. Hij was een dankbare gast. Maakte geen herrie. Was blij om ons te zien. En hij gaf me drie dagen lang een soort onverwachte rust in de chaos van het dagelijks leven.

Samen met vriendlief ruim ik het nachthok op. Het zeil wordt netjes opgevouwen. Zijn zitstok professioneel uit elkaar gehaald. De voerbakjes grondig gewassen. De vloer afgespoten en geveegd. Draak, die eindelijk weer mee naar buiten mag, inspecteert alles alsof hij wil controleren of de duif écht weg is.

Net wanneer ik denk dat het verhaal klaar is, hoor ik gefladder en een plof op het dak. Ik kijk omhoog en daar zit hij. Mijn gevederde vriend. Ik roep vriendlief dat Pidgey helemaal niet weg is, maar waarschijnlijk een testrondje heeft gemaakt.

Hij vliegt van het dak, maakt een rondje door de tuin en landt aan mijn voeten. Draak is inmiddels in alle staten. “Weer delen? Met die houtduif? Echt niet!”. Pidgey scharrelt nog wat rond en blijft staan op de plek waar zijn verblijf heeft gestaan. Alleen wat zaadjes en kruimels liggen er nog. Hij kijkt mij aan en ineens weten we het allebei, het is nu echt tijd om verder te gaan.

Aangemoedigd door Draak en mij vliegt hij naar de schutting. Hij kijkt nog één keer achterom, alsof hij ons bedankt. Dan spreidt hij zijn vleugels.

Misschien is dat het mooie van dit soort onverwachte ontmoetingen: ze komen zonder waarschuwing, ze blijven precies zolang als nodig is, en ze laten iets achter dat je niet kunt vasthouden maar wel kunt voelen. En ergens hoop ik dat hij, waar hij nu ook zit, nog even aan ons denkt. Aan zijn tijdelijke thuis. Aan zijn staycation.

Dag grijze vriend.

Gratis logeren? Vraag het Pidgey…

Blog 1 van 2.

Vriendlief stuurt me een foto en filmpje van een duif. Niet zomaar een duif, maar eentje die vindt dat onze achterdeur een soort VIP-ingang is. Want even later staat ie doodleuk in de woonkamer alsof ie een reservering bij ons heeft. Nadat hem de toegang is ontzegt dartelt ie voor de deur heen en weer. Vriendlief voorziet hem van wat water en voer. Wanneer ik thuiskom staat er in de tuin een compleet bouwproject. Schotten, planken, schragen… Ik vraag hem nieuwsgierig wat ie aan het maken is. Blijkt dus het nachthok van onze nieuwe gast te zijn.

Pidgey, zijn nieuwe naam, zit er al parmantig in. Midden in de ruimte bevind zich zijn troon. Een zitstok speciaal door vriendlief voor hem gemaakt. Maar dat gaat Pidgey net te ver. Hij staat ervoor met water links en voer rechts. Het voer komt van Groene Draak, die daar verrassend weinig moeite mee heeft: “Geef hem al mijn vieze brokken maar. Hoe sneller die drie kilo op zijn, hoe beter. Zolang ie maar van mijn banaan afblijft.” Dus krijgt Pidgey geplette Nutriberries, pallets, gewelde zaadjes, groente en rijst. Een soort all-inclusieve buffet. Hij lust vast niet alles maar maakt er net als in sommige hotels wel net zo’n klere benden van.

Ik verwacht dat hij na wat te eten en een uurtje knorren weer wegvliegt. Maar nee hoor. Meneer staat ’s avonds voor de hordeur met de vraag of hij ook binnen mag. Ik kom niet meer bij. Dit is een duif met humor. Gezien onze groene draak lijkt me dat geen strak plan. Na wat scharrelen kruipt hij weer in zijn hok, waar vriendlief hem liefdevol toedekt tegen katten en ander gespuis. De volgende ochtend bevrijden we hem.

Ik werk thuis en ga na een paar uur kijken, in de veronderstelling dat hij nu wel gevlogen is. Maar nee. Hij ligt prinsheerlijk in het zonnetje voor zijn verblijf, alsof hij een wellnessarrangement heeft geboekt en wacht op de masseuse. Ik ververs zijn water en voer, terwijl Groene Draak me aankijkt alsof ik een illegale onderhuurder huisvest. 

Pidgey vindt alles prima. Hij loopt bijna met me mee naar binnen om te checken wat ik voor hem klaarzet. Maar bedenkt zich en blijft netjes bij de drempel wachten. Hij scharrelt, eet, dut, herhaalt. Zijn pootring kan ik maar half lezen, maar zijn tamheid zegt genoeg: dit is geen wilde ziel, dit is een huismus in duivenlichaam. Onze tuin voelt voor hem blijkbaar als een prima oplaadpunt. Maar snelladen is er niet bij.

’s Avonds wordt hij weer toegedekt. ’s Ochtends weer bevrijd. Hij leeft op, scharrelt vrolijk rond en besluit dat mijn lunchpauze ook zijn sociale moment is. Terwijl ik in het zonnetje zit, vliegt hij ineens op mijn schoot. Ik grijp mijn kans en lees eindelijk zijn ring. We zoeken online en komen bij een vereniging uit… Na wat speurwerk vinden we een telefoonnummer. We krijgen te horen dat zijn eigenaar, het oudste lid, een paar weken geleden is overleden. Al zijn duiven zijn overgenomen door iemand anders. Grote kans dat Pidgeys GPS nog verkeerd staat afgesteld. 

De vereniging gaat voor ons opzoek naar de nieuwe eigenaar. En ondertussen zit Pidgey hier nog steeds. Alsof hij precies weet dat hij even nergens anders hoeft te zijn behalve in onze achtertuin, met gratis buffet en een dagelijks avond-toedek-ritueel van vriendlief.

Wordt vervolgt…

Ik eis fruitcompensatie…

Ze schuift mijn etensbak mijn getraliede villa in. Villa, ja. Zo noem ik het maar, want “kooi” klinkt zo… gevangenisachtig. Ik kijk naar de inhoud: een schamele verzameling brokken en wat groen spul dat eruitziet alsof het per ongeluk in mijn ontbijt is gevallen. Daarna loopt ze weg. “Ho, wacht eens even! Kom terug. Dit is toch niet… hallo?!” Ik roep. Hard. Met overtuiging. Met mijn ik-ben-een-Amazone-en-dit-is-onacceptabel-stem. Maar nee hoor. Geen reactie. Ze doet alsof ze doof is. Ik kijk beteuterd naar de bak. Is dit het? Groente. In de ochtend. Yuk.

Waar is mijn banaan? Mijn appel? Mijn reden om ’s ochtends op te staan? 
Prima, je wilt een spelletje spelen? Dat kan ik, als Amazone, als de beste. Ik doe alsof mijn ontbijt mij totaal niet interesseert. Loop nonchalant langs mijn bak en begin onderin mijn villa te scharrelen. Want een slimme Amazone bewaart natuurlijk altijd iets voor later. Voor dit soort… onvoorziene crisissituaties. 
Na intens speurwerk vind ik: een halve noot (score!), een verdwaalde pellet (waarschijnlijk al over de houdbaarheidsdatum) en een paar lege zaadhulsjes (bedankt verleden-ik, hier heb ik dus niks aan).

Top. Mijn maag knort. Mijn waardigheid brokkelt af. Ondertussen zit zij aan een smoothie met vers fruit. Vers fruit. Terwijl ik hier langzaam wegteer. Ik kijk haar aan met mijn zieligste blik. De blik die normaal gesproken deuren opent, harten smelt en extra snacks oplevert. Maar nee. Ze kijkt expres niet terug. Ze weet het. Ze weet dat ze me verraadt.

Voorzichtig inspecteer ik de bak nog eens. Ik tik tegen een brokje. Oké… toegegeven… deze brokjes zijn makkelijker te kraken dan die vierkante stenen die ik normaal kreeg. En… ruiken ze nou een beetje zoet? Ik kijk even om me heen (je weet maar nooit wie er kijkt) en neem nog een hap. En nog één. Oké. Niet slecht. Ik herhaal: niet slecht. Maar laten we niet overdrijven. We zijn hier geen fanclub begonnen. Wat die groente hier doet blijft een mysterie.

Dan vang ik iets op over een container uit Amerika die is teruggestuurd omdat de papieren niet klopten. Half Nederland zonder “Gorden Ramsay-brokken.” Drama. Paniek. Rampspoed. “Gordon Ramsay-brokken” is een andere benaming voor de Harrisons brokken uit een zakje. “Hij” is ze zo gaan noemen vanwege de prijs, want ze worden echt niet opgediend alsof ik in een 4** restaurant zit. Maar hé, ik at ze al jaren en het werkte prima. Daardoor mocht ik tenminste nog fruit. FRUIT. Weet je nog? Dat sappige, zoete, hemelse spul?

Ik kijk haar nog eens aan. Nog zieliger dit keer. Misschien smelt ze. Misschien denkt ze: “Ach, vooruit, een stukje banaan dan.” Maar nee. De nieuwe brokken bevatten namelijk meer suiker, dus ergens moet gecompenseerd worden. Weg banaan. Weg appel. Weg druif. Welkom courgette. Welkom broccoli. Yuk.

Maar ja… nu mijn brokken op zijn, moet ik toch iets. Met lange snavel knaag ik me door de groente heen. Het gaat niet van harte, maar het vult de krop. En dan te bedenken dat er in de kast nog drie kilo van dit spul ligt. 
Drie. Kilo!! Laten we met z’n allen hopen dat die container met mijn echte brokken dit keer wél zijn papieren op orde heeft. Want anders ga ik serieus overwegen om zelf naar Amerika te vliegen.

Uit de oude doos: Nachtwerk…

Het is einde van de middag als ik nog snel even langs de wei scheur met een emmer met lekkers. Uiteraard staan de paarden helemaal achteraan in een wei die voor mijn gevoel wel drie voetbalvelden lang is. De hele polder weet inmiddels dat ik er ben want ik sta vooraan, bij het hek, zijn naam te “scanderen”. (in de hoop dat hij naar mij toe komt) In tegenstelling tot pubers schaamt Poownie zich daar niet voor. Hij komt gelukkig mijn kant opgelopen. Het begint met een stap maar zodra ik zijn voeremmer in de lucht houd gaat hij al snel over in draf. Kijk, zo doen we dat hier!

Ik ben maar wat blij dat hij besloot naar voren te komen. Want zo heel veel tijd heb ik op dit moment niet. Als hij eenmaal is aangevallen op zijn voer onderwerp ik hem snel aan een inspectie. Tot mijn schrik zie ik dat zijn linkerflank onder de bulten zit. Zijn benen voelen ook warm aan. Maar ja wat wil je met volle zon en 30 graden? De vliegen zijn inmiddels niet meer weg te slaan. Poownie stampt er naar maar het helpt niet veel. De bultjes voelen aan zoals een dazenbeet bij mij zou doen. Poownie geeft er zelf niet veel om. Voor nu besluit ik het zo te laten. 

Zijn emmer is leeg en als er verder niks meer bij mij te halen valt wil hij graag weer terug naar zijn maten in de wei. Ik laat hem vrij en met dezelfde vaart als waarmee hij naar voren kwam stuift hij terug naar achteren. Ik klop het stof van mij af en ga verder met mijn middagplanning. 

Als ik ’s avonds in bed lig laat ik de belevenissen van de dag nog een keer de revue passeren. Mijn gedachten blijven bij Poownie hangen. Waren zijn benen nu echt zo warm? Stond hij te trappen naar vliegen of was dat een aanname? Mijn fantasie gaat met mij aan de haal. In mijn gedachten heb ik van een gezond paard een dodelijk ziek dier gemaakt dat ligt te creperen in de wei. Het wordt van kwaad tot erger en in mijn verbeelding ligt hij al met vier pootjes omhoog. Na twee uur malen en met een knoop in mijn maag van ellende stap ik uit bed. 

“Ik wil naar de wei!” zeg ik tegen vriendlief. Die van mij naar de klok kijkt. Het is inmiddels 01.10 uur ’s nachts. Hij weet ook dat ik de rest van de nacht geen oog meer dicht doe zolang ik niet met eigen ogen bij Poonwie heb gekeken. 

En dus lopen we iets na 01.30 uur met een zaklamp in de hand door de wei. Het is super rustig en super mistig. Uiteraard staan de paarden helemaal achteraan. Ik voel mij als een dief in de nacht. Bij de tijd dat we ze gevonden hebben zijn onze broekspijpen doorweekt. Poownie staat op zijn gemak te knagen aan het gras. Als ik hem aan een inspectie onderwerp voelen zijn benen als normaal en zijn de bulten al bijna weg.

Vriendlief zucht diep. “Ben je gerustgesteld?” Vraagt hij. “Want ik ga niet nog een keer mijn bed uit voor een nachtwandeling!” Zegt hij. “Nu wel!” Zeg ik. Nu ik weet dat alles goed gaat en alleen mijn fantasie op hol geslagen was kan ik weer rustig slapen.

Obstacle run …

Uit de oude doos, maar hij blijft grappig.

In mijn ene hand heb ik een zak hooi van rond de 12 kg en in mijn andere een verrekte splinter. Die er ingeboord werd toen ik de laatste pluk hooi in de zak propte. De hooibaal, die om logistieke reden heel onlogisch is geplaatst, is alleen via een kleine hindernisbaan te bereiken. Om er bij te kunnen heb ik mij tussen twee andere balen in laten zakken. Hoe ik weer naar boven moet komen vraag ik mij nu dus af. Met wiebelige benen probeer ik mijn evenwicht te hervinden. 

Deze hooibalen zijn normaal zo stevig als een huis. Maar wanneer de touwtjes allemaal doorgesneden zijn en het ook nog eens die baal is waar ik overheen moet om aan het begin te komen dan kan dat best een uitdaging zijn. Na wat klim- en klauterwerk, een vloek links en een uitglijder rechts, lukt het mij om één zak, gevuld en al, mee het hok uit te slepen. Met het zweet op mijn voorhoofd duik ik het hok weer in. Er moeten nog twee zakken gevuld. Vanuit de paddock klinkt er gehinnik. Volgens sommige duurt het te lang….

Ken je die puinruim zakken, van die bigbags? Dat zijn onze hooizakken. Oké ze zijn iets kleiner, maar nog steeds flink aan de maat. Ik sleep zo’n zak achter mij aan en ga vol goede moed de hindernisbaan weer over. Onder het zeil door, op het krukje via de kleine baal, over een grote baal naar de achterkant van het hok. Ik laat mij vakkundig tussen de balen naar beneden glijden en vul opnieuw een zak. Ik zet mijn hand boven op de baal. Wanneer ik afzet zak ik met diezelfde hand tot aan mijn oksel tussen de inmiddels losliggende plakken hooi van diezelfde baal. Mijn goed gevulde hooizak, die ik al bovenop de baal had gekregen, raakt uit balans en dondert over mij heen het “ravijn” in. De hele zakken-vul-exercitie begin van vooraf aan. Uiteindelijk kom ik al hijgend, proestend en badend in het zweet uit het vervloekte hooihok. Aan iedere hand sleep ik een gevulde zak mee. En die verrekte splinter! 

Ik gooi een zak in de kruiwagen en sjok door de paddock naar achteren. Halverwege wordt mijn pad geblokkeerd door een skippybal van de paarden. Wat the f*ck? Het lijkt hier wel een obstacle run. Achter mij hoor ik hoefgetrappel en als ik mij omdraai staan er 5 pony’s vragend te kijken waarom het wederom zo lang moet duren… Hoewel ik niet met een stopwatch heb staan klokken heb ik er wel beduidend langer over gedaan. Ik slalom mijn kruiwagen om de bal, de mesthopen er achter en de kuil die een van de knollen uitgerekend hier heeft staan graven. Nog voor ik de kans krijg de zak te legen in de daarvoor bestemde ruif wordt er al aangevallen alsof ze dagen niks gevroten hebben. De hongerlappen. 

Echt kei-verrot, neusgaten vol met stof en compleet bezweet neem ik afscheid van mijn veelvraten en keer huiswaarts. Als er nog mensen moeten trainen voor één of andere hardloop, obstacle run of mudmasters gedoe?? Kom dan alsjeblieft mijn voerdienst overnemen. Wedden dat je in no-time een topconditie hebt?! De stoflongen en broekzakken gevuld met hooi en stro krijg je dan van mij, geheel gratis!!

Kleinvogel…

“Hij zit toch wel in zijn kooi he?!” Was zo’n beetje de eerste uitspraak die ik van mijn schoonmoeder kan herinneren toen ze bij ons op bezoek kwam. Dat is alweer heel wat jaar geleden. Ik zal ongetwijfeld groene draak in zijn kooi hebben opgesloten, wat mij uiteraard een verontwaardigde blik heeft opgeleverd. Van Draak wel te verstaan. Want ophokken in zijn eigen huis is niet iets wat wij normaal gesproken doen. Maar voor schoonmoeders maakten we een uitzondering. 

Wanneer ze een tijdje later onverwachts voor de deur staat is het te laat om Draak in zijn kooi te stoppen. Hij zit parmantig op zijn troon en kijkt ons beurtelings aan met een blik die zegt: “Ha te laat!”. Het is moeders die hem als eerste opvalt. Helemaal los. Op zijn kooi. “Hij kan toch niet vliegen he?!” Is het eerste wat ze zegt. “Draak kan wel fladderen maar geen hoogte maken. Hij valt dus alleen je tenen aan. Meer niet.” Zeg ik iets te serieus en dat wordt bijna voor waar aangenomen. Als ik haar er echt van verzekerd heb dat Draak niets doet neemt ze, uit voorzorg, in de verste hoek van het huis plaats op een stoel. 

Moeders heeft dus angst voor vogels. Waar deze angst vandaan komt weet ik niet. Misschien wel veroorzaakt door “The birds” een horrorfilm van bijna 100 jaar geleden. Vooral het gefladder is een eng en naar geluid. Draak is daarentegen ook niet bepaald een klein parkietje maar een heuse amazone papegaai. Hij neemt niet alleen figuurlijk gezien veel plek in beslag… Groene draak is een onderdeel van ons gezin. En op de koffie komen betekend nu eenmaal geconfronteerd worden met elkaar. Hem even in een andere kamer zetten of in de tuin los laten is er niet bij. 

Gelukkig weet Draak menig mens voor zich in te nemen met zijn jolige karakter en clowneske vertoningen. Dan moet je uiteraard niet bang zijn voor clowns… Bij ieder bezoek van schoonmoeders zei hij netjes “Hallo”, “Dankjewel” als ik hem tijdens de koffie ook wat lekkers gaf, en “dag, doei en tot strakjes” als ze weggingen. Na een tijdje was ze wel gewend aan zijn aanwezigheid. Hij hoefde zijn kooi niet meer in en werd zelfs persoonlijk, vanaf een afstandje dat dan weer wel, begroet. Ze leerde dat Draak ook braaf was en zichzelf prima vermaakte met alle speeltjes op en in zijn kooi. 

Sinds het overlijden van haar man is moeders vaker bij ons. Ze blijft ook geregeld eten en heeft in die tijd de complete routine van Draak en mij meegemaakt. Als hij mij helpt met het schrijven van blogjes. Als hij mee gaat zonnen in de achtertuin. Als we samen op de bank een film kijken, zit hij geregeld op mijn arm om mee te kijken. En als wij gaan eten, krijgt Draak ook eten. In zijn kooi wel te verstaan. Inmiddels spaart ze zelfs zijn kleurrijke veren. 

“Oma….. Zeg maar OMA” hoor ik vanuit de woonkamer als ik in de keuken met het eten bezig ben. Als ik om het hoekje kijk zie ik haar met haar neus bijna in de kooi staan, terwijl Draak op zijn stok aandachtig naar haar luistert. Ze herhaald haar vraag een aantal keer maar krijgt (nog) geen antwoord. Ze heeft haar angst in ieder geval overwonnen. De vogel op haar arm gaat haar te ver. Maar wie weet mag ie straks wel bij oma logeren als wij een weekendje weg zijn.

Scherpe randjes…

De weken na het overlijden van Poownie voelen raar en leeg. Na zoveel jaar dagelijks naar stal en de laatste twee jaar zelfs iedere avond, naar opeens helemaal geen bezoekjes meer aan Poownie. Dat voelt niet alleen gek maar dat is ook heel gek. Naast dat ik hem heel erg mis, mis ook mijn complete routine. Mijn zenmomenten terwijl Poownie aan het grazen is en de sociale contacten met de dames op en van stal.

Ik sta er zelf een beetje van te kijken hoe “goed” ik de eerste week doorkom. Daarna lijkt het verlies in alle hevigheid tot mij door te dringen. Het besef dat mijn maatje er echt niet meer is laat niet alleen bij mij, maar ook bij vriendlief, een diep emotioneel spoor na. En ja, hij heeft een prachtig volwaardig en voldragen leven gehad. Zijn tijd zat er echt op. Dat zorgt er voor dat ik er vrede mee heb. Maar dat alles neemt het verdriet en gemis niet weg.

Van mijn werk krijg ik direct de tijd en alle ruimte om tot mijzelf te komen. Zodat ik de kans krijg mijzelf te herpakken. Ik mag thuis en onder de radar werken. Wat betekend dat ik zelf de afleiding in mijn werk mag zoeken zonder de verplichtingen van projecten, overleg, telefoon, klant- en collega contact. Dat voelt goed! Want het rouwen kost bergen met energie. Ik ben halverwege de dag zo moe dat ik mijn ogen niet kan open houden. Mijn hoofd barst uit elkaar van de koppijn, mijn spieren zitten vast en ik heb een concentratievermogen van een pantoffeldiertje. Werken en mijn beste beentje voor zetten is nu wel het laatste waar ik behoefte aan heb. 

Geregeld loop ik met mijn ziel onder mijn arm te bedenken wat ik met mijn zeeën van tijd moet gaan doen. Dus werk ik in de avond de overvolle strijkmand weg. Ruim mijn lades en kasten op. Sorteer mijn kleding, dat van de heren en sta minutenlang doelloos onder de douche.

Ik heb in de tussentijd wel een aantal bezoekjes aan stal gebracht. Het is raar om te midden van de paarden te staan en er toch 1 te missen. De mooiste, de liefste. Mijn aanwezigheid voelt nutteloos en overbodig om zonder een reden daar te zijn. 

Buiten bezig zijn en de wind en regen voelen mis ik zo erg dat ik besluit om ’s avonds na het eten te gaan wandelen. Dus loop ik bijna iedere avond een rondje door de wijk. Soms met vriendlief, soms alleen. Zelfs met vies weer voelt het heerlijk de benen te strekken en de wind over mijn gezicht en door mijn haar te voelen strijken. 

We zijn nu bijna 4 weken verder en de emotionele pieken beginnen af te nemen. Ik voel het motortje in mijn binnenste langzaam weer op gang komen. Mijn concentratie neemt toe en ik heb ook weer zin om aan de slag te gaan. Een goed en fijn teken. Heel bewust een stapje terug doen en het verdriet er te laten zijn heeft voor mij geholpen. De scherpe randen zijn wat afgevlakt en alles komt een beetje in balans. Er is nu steeds meer ruimte voor de mooie en liefdevolle herinneringen aan Poownie en aan alle avonturen die we samen beleefd hebben. 

De volgende dag…

Na een nacht waarin ik geen oog heb dichtgedaan, sleep ik mij dodelijk vermoeid en met verkrampt lichaam mijn bed uit. De appjes van de dames van stal stromen binnen. Mijn ogen zijn opgezet van het huilen en ik voel mij hol en leeg. Daarnaast is het heel stil om mij heen. Alsof de onzichtbare draadjes waarmee ik met Poownie in verbinding stond letterlijk zijn doorgeknipt. 

Met een aantal dames spreek ik af om al vroeg in de ochtend naar stal te gaan zodat we met elkaar afscheid kunnen nemen van mijn topper. We komen tegelijk aan en alleen al hen zien zorgt ervoor dat ik vol schiet. Het doet mij zo goed dat ze de moeite nemen om een laatste groet te brengen aan Poownie en tegelijk mij tot steun willen zijn. Na een uurtje nemen we afscheid van elkaar en blijf ik alleen met Poownie achter. Ik begraaf mijn gezicht nog eenmaal in zijn wollige vacht. Snuif zijn oh zo bekende geur op en huil nog even de longen uit mijn lijf. Daarna neem ik de tijd om zijn manen te kammen en knip een stuk af als blijvende herinnering. 

Niet veel later komen er nog twee dames op stal aan. We besluiten de paddock open te zetten zodat de paarden uit de kudde de mogelijkheid hebben ook een laatste groet aan Poownie te brengen. Al snel komt het eerste paardje naar voren. Met voorzichtige stappen loopt het op mij af. Alsof ik gecondoleerd word met mijn verlies. Daarna loopt ze door naar Poownie. Besnuffeld hem. Duwt haar neus tegen zijn hoofd alsof ze daadwerkelijk een laatste groet komt brengen. Na nog een keer langs mij gelopen te hebben verlaat ze de paddock. 

Mijn ogen vullen zich met tranen als ik daarna zie dat de paarden een voor een naar voren komen. Het ene dier snuift wat lucht op. Begroet Poownie en verlaat daarna de ruimte terwijl het andere dier er alle tijd voor neemt. Ook ik word door geen enkel paard overgeslagen. Stuk voor stuk duwen ze hun neus in mijn handen of schuren ze even tegen mij aan. Mijn verdriet is ook hun verdriet. Ik voel en merk in alles dat niet alleen Poownie maar ook ik onderdeel uitmaak van deze kudde. Het hele proces raakt mij. Het is zo bijzonder om te zien hoe ze op hun eigen manier omgaan met dit verlies. Poownie krijgt op deze manier een waardig afscheid van zijn kudde, waarbij de lucht meermaals gesierd wordt door een regenboog.

Iedereen op stal is zo lief voor mij. Ik voel mij door hen gedragen en het rauwe randje van verdriet wordt hierdoor wat verlicht. Ook de avond ervoor, toen Poownie aangaf dat het niet meer ging waren er twee kanjers die Poownie en mij in alles begeleid hebben. Een ware steun op een moment waarop ik niet alleen kon en wilde zijn. Poownie had op geen betere stal kunnen staan en ik had het niet beter kunnen treffen met deze dames als stalgenoten. 

Begin van de middag is het zover. De “rouwauto” rijd voor en Poownie wordt opgehaald. Zijn ziel was reeds vertrokken. Zijn lichaam maakt nog eenmaal een laatste reis. De wagen rijd weg met aan de lucht een mooie regenboog. 

Poownie…

Het is goed zo. Genoeg. Hij laat het zo duidelijk merken dat ik niet anders kan dan daar in meegaan. En terwijl ik naast zijn grote, ooit zo sterke lichaam op de grond zit met zijn hoofd in mijn armen, blaast mijn trouwe vriend zijn laatste adem uit.

Dankbaar ben ik dat we 28 jaar samen hebben mogen doorbrengen. Waarvan de laatste 5 jaar ook nog eens in bonustijd. Het waren intense maar liefdevolle jaren die ik niet had willen missen. 

Mijn lieve maatje, mijn altijd vrolijke Poownie, mijn Maris. Het was zoals het moest zijn en zoveel meer.
Ik ga je vreselijk missen. 

07-05-1994 ~ 02-01-2024 💫

❤️

Dekentje…

Al snel nadat ik Poownie gekocht had kwam ik er achter dat ik geen Penny Pony meisje was. We hadden nooit matchende setjes bijvoorbeeld. Hij mooie peeskappen, bandages in precies dezelfde kleur als mijn shirt of jas. Nee. Sowieso peeskappen en bandages al niet. Als Poownie er niet over struikelde dan was ik het wel. Wat een ondingen. In ieder geval, voor de sport zoals wij hem beoefenden. En zadeldekjes? Ja die had ik wel alleen gebruikte ik ze niet want ik reed vaak zonder zadel en als het kon ook nog achterstevoren.

Toen kwamen we op een andere stal te staan. Een waarbij het rijden en de daarbij behorende attributen zeker een groot onderdeel van het houden van paarden was. Dus ook wij deden (voor een deel) mee. Mooie dekjes met zijn naam in gouden sierletters geborduurd. Ik reed braaf met sporen en zweep en mijn simpele gympen had ik ingeruild voor sierlijke leren rijlaarzen. Daarnaast namen we privéles en gingen we op “concours”. (lees wedstrijd bij Pennyclub de Bokkensprong.)  

Van al dat trainen raak je behoorlijk bezweet. Dus Poownie moest geschoren worden. Want zie die vacht maar eens droog te krijgen na een inspannende les, hartje winter. En laten we wel wezen, tijdens wedstrijden oogt het ook frisser zo’n glanzend wit paard in plaats van een vergeelde pluizige teddybeer. Wat Poownie van dit alles vond? Die deed alles om het mij naar de zin te maken. De egoïst die ik was… 

Een paard scheren betekend een deken om. Zeker in de winter. Voor een ton kocht ik aan dekens. Stal, winter, uitrij, zweet, onder- en regendekens. Poownie had ze allemaal. 

Toen de onzin van het rijden van wedstrijden gezakt was en het plezier van alsmaar beter presteren omsloeg ik liever plezier met je paard maken, gingen ook mijn ogen langzaam open. Wat een ondingen zijn dekens toch eigenlijk. Ze zijn lomp en zwaar. En vaak veel te warm. Wat heb ik dat arme paard toch allemaal aan gedaan? Vanaf dat moment mocht hij zijn teddyberen vacht behouden. Sporen, zweep en nagenoeg alle dekens gingen de deur uit en ook mijn mooie leren laarzen verkocht ik aan de eerste de beste bieder. 

Poownie mocht weer poownie zijn. We verhuisden in die periode een aantal keer. We gingen naar goed, toen naar beter. Maar nu staan we op de beste plek ooit! Een plek met als doel het paard centraal te houden met vrijheid in eigen keus en kuddegedrag motiverend. Eten, spelen, schuilen, slapen? Vul het zelf maar in Poonwie! Hij mag hier van zijn oude dag genieten. En dat doet hij met verve. Want hij is hard op weg de 30 aan te tikken. 

Nu Poownie op leeftijd is lukt het hem niet zo goed om met het koude en natte winterweer op temperatuur te blijven. Op aanraden van een stagenootje kocht ik twee iets duurdere dekens. Een regendek voor de lente en herfst en een winterdek voor de koude maanden. Poownie vind het zoals altijd weer prima wat ik hem aan of opdoe. Maar stiekem hoop ik toch dat hij net als mij er blij mee is. Zeker als ik het, zoals de afgelopen weken, met bakken uit de hemel zie komen en weet dat hij al die tijd buiten staat. Maar dan nu wel lekker droog en warm onder zijn winterjas.