Wat onhandig…

Sommige dingen in het leven zijn gewoon onhandig. Punt. Daar hoef je verder niet over uit te weiden. Maar dat ga ik toch doen. Al is het maar om een blog te vullen. Een van die dingen die op mijn onhandige lijst staat vermeld is de dubbelwandige mok. Je weet wel, zo’n mok die er chic uitziet, alsof je koffie erin zweeft, en die je het gevoel geeft dat je een verantwoord, modern mens bent dat zijn leven op orde heeft. Totdat je een slok neemt.

Want ja, de buitenkant voelt koel en vriendelijk: kom maar, pak me vast, ik ben heel veilig. Maar binnenin schuilt de hel. Een soort vloeibare lava die rechtstreeks je mond in glijdt omdat je hersenen denken: “Oh, de mok is koud, dus de inhoud zal wel meevallen.” Nou, nee. Resultaat: verbrande bakkes. En geloof me, dat overkomt me dus niet nog een keer.

Ik ben niet de enige in huis die slachtoffer is geworden van dit onding. Vriendlief heeft er ooit eentje laten exploderen. Ja echt!! Hij roerde iets te enthousiast met een lepeltje. Het gekraak van het glas diende zich niet zachtjes aan. Het was een complete explosie. Het hele glas klapte uit elkaar alsof het een scène uit Mythbusters was. Levensgevaarlijk x2 zo’n mok.

Zoonlief had een paar weken geleden hetzelfde probleem. Hij maakte een kop zelfverzonnen “gezondheidsdrank” van gember, honing en citroen “is goed voor je gestel, wil je ook?!” en verbrandde vervolgens zijn hele mond. Tja, gezond is dus blijkbaar een relatief begrip.

Welke mafkees heeft dit bedacht? Het zijn ondingen. Ik ging op onderzoek uit om te kijken waar ik een schadeclaim kon indienen. En wat blijkt?! Het idee achter de dubbelwandige mok is helemaal niet nieuw. Sterker nog, het is gebaseerd op eeuwenoude glasblazerij én op pure natuurkunde. Zijn jullie klaar voor een stukje geschiedenis? De oorsprong ligt in Noord-Bohemen begin 1700. Daar werden al glazen gemaakt die uit twee lagen bestonden, waarbij het binnenste glas beschilderd of verguld was. Het was vooral decoratief bedoeld, kijk eens hoe rijk ik ben. 

De technologie achter moderne dubbelwandige mokken komt van de vacuümfles, uitgevonden door Sir James Dewar ergens in 1892. Het principe: twee wanden met daartussen een vacuüm, zodat warmte niet kan ontsnappen. Het is heel slim bedacht. Maar dat betekent dus óók dat je drankje binnenin gloeiend heet blijft terwijl jij denkt dat je het prima naar binnen kunt gieten. 

De huidige glazen mokken zijn meestal gemaakt van borosilicaatglas, licht, stevig, hittebestendig en ontworpen om: je drankje langer warm te houden, de buitenkant koel te laten en er prachtig uit te zien, alsof je koffie zweeft in een mini-ruimtecapsule. Dat zweefeffect is dus expres. Het is design. Het is kunst. Het is… misleidend. Want nergens staat: “Pas op, de inhoud is lava.” 

Het idee was eigenlijk heel nobel: Geen verbrande vingers meer. Geen condens op tafel. Geen koude koffie na drie minuten. Een mooi visueel effect. Dus ik snap wel waarom dit ontworpen is. Maar in de praktijk? Nou ja… zie boven. Mijn conclusie: De dubbelwandige mok belooft comfort, maar levert vooral brandwonden.

Mijn tong, of op dit moment die van zoonlief, dient als bewijsstuk A. Ik gebruik ze niet meer. Niet voor koffie, thee, warme chocolademelk, niet voor wat dan ook dat warmer is dan lauw water. En wie dit ontwerp ooit heeft bedacht? Waarschijnlijk iemand die zelf nooit een slok nam uit een dubbelwandige mok.

Met een beetje hulp van Copilot… 😉

Medium of well done?

Ik moet eruit. Ik moet eruit. IK MOET ERUIT. Uit de zon bedoel ik dan. 
Maar ik lig zo belachelijk lekker dat mijn lijf weigert te luisteren. Het is een graad of 28, de zon straalt veel te fel, maar dat briesje over het water maakt alles zacht en loom. Precies dat soort verraderlijke combinatie waarvan je weet dat je er later als een kreeft bij loopt, maar op het moment zelf… ach who cares. Nou oké, ’s avonds vervloek ik mijzelf maar dat zal ik voor de setting van dit blog niet verder benoemen… 

We liggen voor anker op een plek die achteraf misschien niet de meest briljante keuze was. Een plek waar plezier- en beroepsvaart elkaar kruisen. De golven wisselen elkaar in rap tempo af en geven je het gevoel alsof je in een soort mini-pretpark beland bent. Dat ontdekten we pas toen we al goed en wel voor anker lagen. Maar zolang je niet snel zeeziek wordt, niet te lang in het onderdek verblijft en je de horizon nog wel kunt zien, is het eigenlijk best grappig. En wanneer je toegeeft aan het schommelende gevoel en gaat liggen op het voordek voelt het alsof de boot je in slaap probeert te schommelen.

Ik laat me meevoeren door dat ritme. Het wiegen maakt ontspannen nog makkelijker. Aan bakboord ligt het vol met bootjes; ik hoor kinderen in het water springen, gillen, lachen, totaal ongehinderd door het feit dat het water waarschijnlijk maar 18 graden is. Kinderen hebben daar op de een of andere manier totaal geen last van. Hun oudere familielid duidelijk wel. Na een sprong in het water hoor ik hem gillen dat niet alleen zijn tenen bevroren zijn en dat de verwarming alvast aangezet mag worden.

Aan stuurboord hoor ik de vogels in de bomen fluiten, alsof ze een soundtrack onder deze middag leggen. Alles bij elkaar, het water, de geluiden, de zon die me langzaam aan het toasten is, maakt dat ik steeds dieper wegzak in een soort halfslaap.

Tot mijn schouderbladen beginnen te prikken. Niet subtiel. Meer het soort prik dat zegt: “Hallo, wil je jezelf medium of well done?” En dit is dus het moment dat ik er echt, ECHT, E.C.H.T. uit moet.  

Ik zucht, trek mezelf overeind en schuif met tegenzin naar de schaduw, mijn handdoek achter mij aan slepend. Nog één blik op het water, de boten, de kinderen, de vogels. Het hele tafereel dobbert gewoon door. En ik moet toegeven: zelfs half verbrand, met het briesje over mijn lichaam is dit eigenlijk best een fijne plek om te zijn.