Na tachtig haarspeldbochten — die direct al in het dal begonnen en eindeloos doorliepen tot aan de top — is het een wonder dat mijn maaginhoud nog steeds zit waar hij hoort te zitten. Aangezien ik deze ochtend iets ruimer ontbeten heb dan gebruikelijk. Een beetje misselijk ben ik wel. Maar na een paar koekjes en een slok water voel ik me al snel een stuk beter.
Bij het openen van mijn deur wordt deze bijna uit mijn handen gerukt. De zon is meedogenloos. De wind nog meer. Natuurlijk had ik weer niet aan een vestje gedacht. Daar denk je niet aan als je wegrijdt met dertig graden en volop zon. Gelukkig ligt er een badlaken op de achterbank, dat ik als een geïmproviseerde cape om me heen sla.
De rit naar de top was minstens zo spectaculair als het uitzicht dat op mij wacht. Het landschap aan de westkust van Gran Canaria is een stuk grilliger en ruiger dan de badplaatsen. Dit deel van het eiland wordt niet voor niets het meest ongerepte stuk genoemd: enorme kliffen, diepe ravijnen en gesteente in kleuren die je bijna niet kunt verzinnen.
We zijn aangekomen bij Mirador del Balcón, een uitkijkpunt dat je absoluut op je lijst moet zetten als je de binnenlanden inrijdt en iets anders wilt zien dan zon, zee en strand. Ik loop achter de familie aan richting de trap die afdaalt naar een platform. Daar moet ik moeite doen om niet direct de afgrond in geblazen te worden; hier waait het nóg harder dan op de parkeerplaats. Gelukkig is het platform afgezet met een glazen wand.
Ik duim dat het geheel stevig in elkaar is gezet, want we hangen letterlijk boven de Atlantische Oceaan aan een steile klif. Volgens de informatieborden op ongeveer 350 meter hoogte. Heel even lijkt het alsof mijn maag zich alsnog tegen mij keert. Maar toegegeven: het uitzicht is prachtig.
De wolken hangen op ooghoogte. Ik kan ze bijna aanraken. Onder mij kolkt en beukt het water van de Atlantische Oceaan tegen de rotsen. Het is machtig om te zien. Zelfs een foto of filmpje geeft niet hetzelfde effect als wanneer je dit met eigen ogen aanschouwt.
Wanneer ik helemaal naar links kijk, zie ik de bekende Drakenstaart: een reeks grillige bergkammen die trapsgewijs richting de zee lopen. Door hun vorm lijken ze op de rug en staart van een draak. Volledig gevormd door vulkanische activiteit, lang geleden natuurlijk, en daarna uitgesleten door wind, regen en oceaankracht tot de puntige formatie die het nu is.
Op de terugweg zie ik een bord waarop staat dat Gran Canaria een UNESCO Starlight‑bestemming is. Dit balkon is een van de donkerste en meest indrukwekkende plekken om sterren te kijken. De combinatie van hoogte, afgelegen ligging en vrijwel geen lichtvervuiling maakt het ideaal voor heldere sterrenhemels, de Melkweg en noordelijke sterrenbeelden zoals de grote en kleine beer en Cassiopeia.
Ik kan hier helaas niet over meepraten, want na een groepsfoto besluiten we onze rit voort te zetten naar het dorpje Agaete, een stukje verderop. En eerlijk… de rit terug in het pikkedonker zou ik stiekem ook niet aandurven.
