De kracht van kou…

Een stukje verder dan waar wij vakantie vieren ligt Erpfendorf. Drie huizen, een kerk en een mesthoop. Meer is het niet. Wanneer je de hoofdstraat binnen rijd is het alsof je terug gaat in de tijd. Eenvoud en rust. Wat ze daar ook hebben is een Kneippanlage. Dat is een natuurlijke wellnessplek in de buitenlucht, gebaseerd op de inzichten van Sebastian Kneipp, een 19e-eeuwse priester en natuurgenezer. Hij ontdekte dat koud water een helende werking heeft en ontwikkelde een methode waarbij water, beweging, kruiden en balans in het dagelijks leven centraal staan. Wat ooit begon als een manier om zijn eigen gezondheid te herstellen, groeide uit tot een levensfilosofie die vandaag nog steeds miljoenen mensen inspireert.

De Kneippanlage ligt verstopt achter de charmante kerk St. Barbara. Zodra we daar het pad aflopen, stappen we in een kleine oase van rust. Er is een voetenbad gevuld met ijskoud bronwater, een blotevoetenpad vol verschillende structuren en geuren, en bankjes die uitnodigen om even stil te worden. De kruidentuin met munt, salie en tijm prikkelt mijn zintuigen terwijl ik stap voor stap verder ga. Alles om me heen ademt eenvoud en natuur: de bergen, de frisse lucht en het heldere water nodigen me uit om even helemaal te relaxen en los te laten.

We lopen om het bad heen en maken het ons gemakkelijk. In het park is verder helemaal niemand. En dat terwijl het hoogzomer is met een strakblauwe lucht en een graadje of 28. Dit is de ideale locatie om te relaxen en af te koelen te gelijk. Veel beter dan het overdrukke en volle zwembad met gillende en krijsende kinderen in het dorp. Hoewel je niet moet denken dat je even heerlijk kunt plonzen in het kneippbad. Want dat is nu juist net niet de bedoeling en wil je ook helemaal niet want te koud.

De bedoeling van kneippen is verrassend eenvoudig, maar juist daarin zit de kracht. Je stapt met blote voeten in koud bergwater en tilt je knieën hoog op, alsof je een ooievaar nadoet. Door de kou trekken je bloedvaten even samen en daarna verwijden ze zich weer. Dit stimuleert de doorbloeding, geeft je immuunsysteem een boost en laat spanning uit je lijf wegstromen. Zodra je het water uitstapt, voel je warmte en energie door je benen stromen. Het contrast van koud water en de (pijnlijke) prikkels van het blotevoetenpad maakt dat je lichaam wakker schud en je pijngrens wordt opgezocht, zich herpakt, alsof je een natuurlijke reset krijgt. (Maar eerst drie keer een error want &☠️*$☠️%$ koud!!)

We liggen nog geen 5 minuten of het park stroomt vol met wielrenners. Ze houden een korte pauze en een enkeling waagt zich in het koude water. Na een kwartier verdwijnen ze weer en laten ons in rust achter. Er blijft een oudere vrouw achter die rondje na rondje loopt. Dit heeft ze vaker gedaan. Ik kom in eerste instantie niet verder dan de eerste twee treden van het trappetje. 

Waarom het zo verfrissend is? Omdat het niet alleen lichamelijk werkt, maar ook mentaal. Het koude water maakt je direct wakker, haalt je uit je gedachten en brengt je helemaal in het moment. Je voelt (niks meer), je ademt, je ervaart (vreselijke kou). Het is alsof je lichaam en geest samen besluiten: we beginnen opnieuw. In de eenvoud van een paar stappen door het water ontdek ik telkens weer hoe de natuur de beste therapeut kan zijn. Had ik al gezegd dat het water koud was? 

Königssee, waar de tijd trager loopt…

“Als je er dan toch bent, bezoek dan ook de Königssee. Dat is zeker de moeite waard.” Zei mijn collega een van de laatste dagen voor mijn vakantie. Dus plande we een bezoek in. Omdat het wel echt een toeristische trekpleister is, en hoog zomer, zijn we gebonden aan vooraf kaartjes kopen met een tijdsslot. Het maakte voor ons niet uit welke dag het zou worden want op alle dagen van de week is er prachtig weer voorspeld. 

De Königssee ligt in Duitsland en om er te komen moeten we een klein uurtje toeren. Dat is helemaal geen straf. De weg voert ons door de bergen en we hebben de prachtigste uitzichten en doorkijkjes. Voor we het weten staan we op een parkeerplaats a la Efteling. Met rijen en rijen auto’s. Ik schrik er zelfs een beetje van. Gelukkig zijn we vroeg en vinden vooraan nog een plekje. Er is in de omgeving nog heel veel meer te doen, dus eenmaal van de parkeerplaats af verspreid de drukte zich.

De Königssee is een gletsjermeer dat al duizenden jaren bestaat en nog altijd even helder en krachtig is. Het is ontstaan in de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden. Het water is kraakhelder en ijskoud, gevoed door smeltwater en omringd door steile bergen. Het meer is ruim 7,5 kilometer lang en bijna 200 (!) meter diep. Königssee betekent letterlijk ‘Koningsmeer’. Lange tijd was dit gebied eigendom van de Beierse koninklijke familie, de Wittelsbachs. Zij gebruikten het als jachtgebied en besloten het streng te beschermen. Pas in de 20e eeuw werd de toegang open gezet voor bezoekers.

Een boottocht over de Königssee is een ervaring op zich. Niet alleen vanwege het uitzicht. Halverwege houd de boot stil en de kapitein tovert een trompet te voorschijn. Het deuntje dat hij speelt weerkaatst spectaculair tussen de rotswanden. Ooit was dit een communicatiemiddel voor vissers en jagers, nu een klein cadeautje voor ons.

Wat het verder nog zo bijzonder maakt, is dat er al sinds 1909 alleen elektrische boten varen. Geen lawaai, geen stank, geen olie in het water. Alleen stilte, golven en natuur. Daarmee was dit gebied zijn tijd ver vooruit, een keuze die ervoor heeft gezorgd dat de Königssee nu nog altijd één van de schoonste meren van Europa is. En nog steeds varen de boten elektrisch, of worden ze met pure menskracht voortbewogen.

Midden op het meer ligt St. Bartholomä, het kerkje met de rood-witte torentjes dat al sinds de 12e eeuw bezoekers verwelkomt. Een heilige plek die alleen per boot bereikbaar is. Verderop, bij het eindpunt Salet, ligt het Obersee-meer. In de verte stort de Röthbachwaterval 465 meter naar beneden en is de hoogste van Duitsland. Wij kiezen ervoor om niet helemaal naar de waterval te wandelen, maar gewoon te genieten van de plek zelf. Even zitten, kijken, ademen. Soms is dat genoeg.

Al in de 19e en 20e eeuw trokken schilders en dichters hierheen om het magische licht en de serene stilte vast te leggen. En dat snap ik wel, zodra je van de boot stapt, voelt het alsof je in een schilderij bent beland. De Königssee en Salet zijn plekken die je niet zomaar van je afschudt. Het is niet alleen de natuur, het is de rust, de historie en het gevoel dat de tijd hier op de een of andere manier trager loopt.

Mijn collega had helemaal gelijk. Het was meer dan de moeite waard om daar een dag aan te besteden. 

Grießbachklamm…

Na onze vakantie in 2017 wilde ik deze wandeling graag nog eens maken. Maar ja, we zijn over het algemeen alleen in de winter hier. Dus toen onze zomervakantie dit jaar naar Oostenrijk ging stond hij hoog op mijn lijstje. De Grießbachklamm. Het is volgens Tiroolse begrippen een van de mooiste wandelplekken. Nu is mijn referentiekader wat wandelplekken betreft geen goede graadmeter, maar ik sluit mij wel aan bij deze mening. De Grießbachklamm is een, als je het zo kunt noemen, sfeervolle kloof waar helder bergwater langs de rotsen stroomt.

Voor iedere natuurliefhebber is er een route. Zelfs voor de totaal-niet-wandelaars. De kortste route is 3 km. Terwijl je door de kloof wandelt waarbij hoge rotspartijen je omringen en het water naast je over de rotsen en door de kloof klatert, heb je er geen idee van hoeveel meter je ongemerkt aflegt. De smalle paadjes, ruige rotsen, houten vlonder-delen en de hangbruggen die je passeert maken het helemaal compleet. De 3 km is zo voorbij. Voor de mensen die wat meer aan kunnen is er nog een route van 6 km en de echte “diehard” wandelaars kunnen hun hart op halen met de route van 10+ km. 

Aangezien wij de conditionele gesteldheid hebben van een “telefoon met maar 5% batterij” besluiten we wijselijk om de kleine ronde, van 3 km te lopen. Die start praktisch al op de parkeerplaats. Het pad slingert door een idyllisch decor: kabbelende beekjes en het zachte ruisen van de bomen maakt van de start al een goed begin. We zijn redelijk op tijd en het is nog niet extreem druk. Ook nu ben ik daar wel blij om. Ik heb al het moois nog niet gezien maar geniet nu al met volle teugen. 

De weken ervoor heeft het hier flink geregend. Ik was er vanuit gegaan dat het daarom een flink watergeweld zou zijn. Maar dat is niet het geval. We kunnen zelfs tot aan het water komen en als we zouden willen naar de overkant waden. Het water is mij iets te koud dus ik blijf op veilige afstand. Maar boys will be boys, dus vriendlief springt van rots naar rots en klautert behendig over een stapel stenen. 

Ongeveer veertig jaar geleden werd de kloof voor wandelaars toegankelijk gemaakt. Maar de natuur heeft hier haar eigen wil. Meerdere keren werd de route beschadigd door overstromingen, met 2012 als zwaar dieptepunt. Toch kwam er telkens herstel, met materialen uit de omgeving en met oog voor harmonie. In 2013 werd de Grießbachklamm opnieuw opgebouwd. Wat raadplegen leerde mij dat dat de opbouw volgens Feng Shui-principes is opgebouwd. Als wandelaar zou je het gevoel kunnen krijgen dat elke bocht, brug en rustplek in balans voelt. Ik was misschien iets te verwonderd door alles om dit zo te ervaren. 

Toen hoogwater de klamm bijna een jaar geleden opnieuw trof, gebeurde er iets moois: binnen acht weken waren de hangbruggen, stegen en het barfußpad (blotenvoeten pad) door de bewoners weer hersteld. Omdat wij de kleine ronde gelopen hebben, zijn we jammer genoeg niet langs het barfußpad gekomen. Dat is een breder open stuk met zandbanken waar je heerlijk met je blote voeten door het steenkoude water kunt waden. Een goede reden om nog eens terug te komen en de langere route te wandelen. 

Door de bergen…

Onze wintersportvakantie speelt zich al een aantal jaar in hetzelfde gebied af. Dat is fijn voor de mensen die niet mee de berg op gaan of voor de mensen die eerder willen stoppen. Er is bij ons in het dorp namelijk van alles te doen. Zwembad om de hoek, een sauna in het hotel, gezellig dorpje en een heuse bierbrouwerij. Voor ieder wat wils. De pistes zijn in deze periode voornamelijk wit. Dat is tijdens deze zomervakantie wel anders. De bergen tonen zich in alle tinten groen en de weidebloemetjes staan in al hun pracht en praal te schitteren. 

Wanneer we in Oostenrijk arriveren miezert het en de bergen zijn in nevelen gehuld. Zodra de koffers zijn uitgepakt en we een klein hazenslaapje gedaan hebben, wordt het tijd om het dorp in te trekken. Op de terugweg is het een beetje opgeklaard en we besluiten het weggetje langs een van de pistes op te rijden. Het is dat er een aantal herkenningspunten op de berg staan, zoals sneeuwkanonnen, een restaurant en een of ander afbraakschuurtje. Maar anders zou het voor mij totaal onherkenbaar zijn als skipiste. 

In de winter lijkt de piste vaak heerlijk uitnodigend: witte banen waar je soepel vanaf glijdt. Maar nu staan we voor een groene, toch best wel steile wand. Ik verbaas mij erover dat dit hetzelfde stukje berg is waar ik in de winter zonder moeite vanaf kom. Nu zie ik ineens alle details: de glooiingen, de richels, de schaduwen. Het oogt meteen veel indrukwekkender. Oké, in de winter kijk je vooral naar het stukje voor je, en nu zie ik de hele piste in één keer, van beneden tot boven. De sneeuw vlakt alles een beetje af en geeft het gevoel van een zachte glooiende deken. 

Na dit stukje gezien te hebben, besluiten we vandaag de andere pistes te bezoeken. De zon staat hoog aan de hemel en dat maakt het direct ook een stuk vriendelijker dan de mist op de eerste dag. Met de auto is het even zoeken welke bergweggetjes naar boven leiden. De geasfalteerde weg houdt na enige tijd ook nog eens op. We rijden haarspeldbocht na haarspeldbocht op kiezelpaadjes. We gaan alsmaar hoger en ik ben steeds meer onder de indruk van de vallei onder mij. 

Plots staan er koeien op de weg en rijden we over roosters en door poortjes met stroom. Ik vraag mij af of we wel goed zitten. Maar als ik in de verte een hele stroom fietsers, wandelaars en nog een aantal auto’s zie maak ik mij daar niet langer druk om. Dan doemt plots het hotel op waar we altijd langs skiën. Ik ben heel blij dat we dit deel “overleefd” hebben en dat ik eindelijk iets herken. We worden vriendelijk ontvangen en drinken koffie op het terras met een fantastisch uitzicht. 

Even overwegen we om te blijven zitten. Het uitzicht, de zon op ons gezicht, de koeienbellen die in de verte rinkelen en de berglucht in onze neus geven ons het gevoel klein te zijn in iets oneindig groots. Toch besluiten we nog een stukje hoger de berg op te rijden. Bijna aan de top stuiten we op een wegversperring en moeten we het hele stuk weer naar beneden. Maar eerst nemen we de tijd om te genieten van de vergezichten en van het stukje piste dat nu groen is in plaats van wit.

Castrum Caofstein…

We rijden er ieder jaar minstens één keer doorheen. Maar daar blijft het dan ook bij. Er valt op dat vroege tijdstip nog niet veel te zien en na een reis van ongeveer negen uur zijn we blij om op onze plek aan te komen. Voor mij was Kufstein niet meer dan een stip op de kaart, een plaats waar we de grens overgaan naar Oostenrijk. Maar meer ook niet. Tot nu!! 

Kufstein is een fascinerende stad in Tirol, Oostenrijk en vlak bij de Duitse grens. Ik dacht altijd dat dit een soort minidorpje was maar het blijkt met 19.223 inwoners gewoon een compacte stad te zijn. Voorzien van een rijke geschiedenis en dat is precies waar ik dol op ben. Dus toen we na een dagje acclimatiseren uitgerust waren besloten we terug te rijden en het stadje met zijn burcht te gaan verkennen. 

In het hart van de stad, hoog op een rots boven de rivier de Inn, torent de burcht uit als een stille getuige van eeuwen strijd, macht en verhalen. Ooit, in 1205, stond hier het ‘Castrum Caofstein’, in handen van zowel bisschoppen als hertogen. De muren zagen hoe politieke intriges en huwelijken hun stempel drukten op het lot van het kasteel. In 1342 werd de burcht zelfs een huwelijksgeschenk aan Margarethe “Maultasch”, de eigenzinnige hertogin van Tirol. Haar bezit was echter van korte duur, want in 1504 verscheen keizer Maximiliaan I voor de poorten, gewapend met reusachtige kanonnen, waarvan er nog steeds een hoop te bezichtigen zijn. 

De muren hielden niet stand en de burcht werd versterkt tot een onneembaar bolwerk. Met muren die tot wel zeven meter dik waren. Door de eeuwen heen wisselde Kufstein regelmatig van eigenaar. Beierse troepen, Oostenrijkse soldaten en zelfs Napoleons invloed maakten dat de vlag op de torens meer dan eens werd vervangen. Pas in 1814 werd het fort definitief Oostenrijks grondgebied. Binnen de muren speelde zich niet alleen militaire geschiedenis af. In de negentiende eeuw veranderde de burcht in een beruchte gevangenis voor politieke gevangenen, waaronder Hongaarse vrijheidsstrijders en dichters. Hun verhalen blijven als een fluistering hangen in de koude stenen gangen. 

Tegenwoordig herbergt de burcht een ander soort erfgoed. In 1931 werd in de Bürgerturm het Heldenorgel geïnstalleerd, het grootste openluchtorgel ter wereld, met bijna vijfduizend pijpen. Elke middag klinken de tonen over de stad, soms gedragen door de wind tot ver voorbij de stadsmuren. De oude rotsgangen, de diepe bron en de robuuste muren vertellen hun eigen verhaal aan wie de tijd neemt om te luisteren.

Nadat we waren uitgeluisterd, wandelden we door het prachtige Römerhofgasse. Alsof je in een sprookje bent gestapt. Een steegje met gevelschilderingen, kleurrijke erkers en de historische herberg Auracher Löchl, welke al meer dan 600 jaar oud is. Ik, gek op oudheid, vond dit wel een bezoekje waard. Sterker nog, het leek mij een fantastische plek om te lunchen. Al hoopte ik wel dat het eten niet zo oud zou zijn. Helaas bleek de herberg (het oude gedeelde) niet open en werden we doorgestuurd naar de overkant van de straat, een pand met uitzicht op de Inn. Daar besloten we enkel een bak koffie te drinken.

Nadat we elders een heerlijke lunch naar binnen hadden gewerkt, maakten we nog een ronde door de stad om daarna moe en voldaan onze eerste vakantiedag af te sluiten. 

Kies maar een kamer…

Ons verblijf voor deze zomer hebben we pas laat geboekt. We waren een beetje besluiteloos of en waar we naartoe zouden gaan. Maar het is ergens in april als we de knoop doorhakken. Het hotel in Oostenrijk was tijdens onze wintersportvakantie zo goed bevallen dat we besluiten om daar naar toe te gaan. Even een week helemaal niets hoeven. Lekker in de watten gelegd worden en genieten van groene bergen in plaats van witte. 

Ondanks dat we vertrekken in het weekend met alle beruchte “zwarte” reisdagen hebben we totaal geen last van de drukte onderweg. Het is zelfs bij de tankstations langs de weg erg rustig en zoals gehoopt maar niet verwacht rijden we praktisch in één streep door. Zoals altijd komen we weer veel te vroeg op onze eindbestemming aan. Inchecken is officieel pas na 14.00 uur mogelijk. En als we rond 07.30 uur naar binnen lopen ben ik bang dat dit een hele lange ochtend gaat worden.

We worden heel vriendelijk ontvangen en de vrouw aan de balie doet totaal niet moeilijk. Na het controleren van de gegevens vraagt ze of we misschien trek hebben in een ontbijt? Dan kan ze in de tussentijd kijken of onze kamer al klaar is. Nou dat laten we ons geen twee keer zeggen. In het restaurant is maar een deel van de tafels gedekt en nog minder bezet. Even denk ik dat de rest van de vakantiegangers nog aan moet schuiven. Maar het blijkt gewoon erg rustig te zijn.

Overigens is rustig voor ons totaal geen probleem. Deze vakantie staat in het teken van relaxen en bijtanken, oh en lekker eten natuurlijk. Dus een rustige omgeving is daarbij welkom. Dat het totaal niet druk is blijkt niet alleen aan de weinige bezette tafels. Na het ontbijt krijgen we de sleutel van onze kamer. Niet 1 maar 3, behorende bij kamers op de 2e, 3e en 4e verdieping. Even ben ik in de war. Krijgen we nu elk een eigen kamer? “Zoek maar een mooie kamer uit”, zegt ze. Dit is mij nog nooit overkomen, dat we zelf een kamer mogen uitzoeken en dat in het hoogseizoen.

We kiezen voor een kamer op de 2e verdieping. Lekker dichtbij en prachtig uitzicht op de bergen en de (ski)pistes. Maar we komen daar al snel van terug. Er zit een jong gezin met drie kinderen recht onder ons. Ze breken letterlijk de boel af. Dit komt ons idee van een relaxte en rustige vakantie niet ten goede. Zonder probleem krijgen we een sleutel van een andere kamer. Vier hoog dit keer. Nog mooier uitzicht. Weliswaar het verste weg. Maar wel de rustigste van allemaal, aangezien de andere kamers (nog) niet bezet zijn. 

Tijdens het diner raken we aan de praat met andere vakantiegangers. Het blijkt dat heel veel reserveringen lastminute geannuleerd zijn en dat gezinnen die er al zaten eerder zijn uitgecheckt vanwege het barslechte weer. De afgelopen vier weken heeft het namelijk heel veel en heel hard geregend. Maar later in de week druppelen er weer nieuwe gasten binnen. 

Met het slechte weer heb ik een klein beetje rekening gehouden. Mijn regenpak heb ik voor de zekerheid in mijn koffer gestopt. Ik gok dat we die niet nodig hebben. Volgens het weerbericht zijn de weergoden ons goed gezind, met zonnige dagen en temperaturen rond de 28 graden. Op naar een paar heerlijke dagen in Oostenrijk…

Uit de oude doos: Nachtwerk…

Het is einde van de middag als ik nog snel even langs de wei scheur met een emmer met lekkers. Uiteraard staan de paarden helemaal achteraan in een wei die voor mijn gevoel wel drie voetbalvelden lang is. De hele polder weet inmiddels dat ik er ben want ik sta vooraan, bij het hek, zijn naam te “scanderen”. (in de hoop dat hij naar mij toe komt) In tegenstelling tot pubers schaamt Poownie zich daar niet voor. Hij komt gelukkig mijn kant opgelopen. Het begint met een stap maar zodra ik zijn voeremmer in de lucht houd gaat hij al snel over in draf. Kijk, zo doen we dat hier!

Ik ben maar wat blij dat hij besloot naar voren te komen. Want zo heel veel tijd heb ik op dit moment niet. Als hij eenmaal is aangevallen op zijn voer onderwerp ik hem snel aan een inspectie. Tot mijn schrik zie ik dat zijn linkerflank onder de bulten zit. Zijn benen voelen ook warm aan. Maar ja wat wil je met volle zon en 30 graden? De vliegen zijn inmiddels niet meer weg te slaan. Poownie stampt er naar maar het helpt niet veel. De bultjes voelen aan zoals een dazenbeet bij mij zou doen. Poownie geeft er zelf niet veel om. Voor nu besluit ik het zo te laten. 

Zijn emmer is leeg en als er verder niks meer bij mij te halen valt wil hij graag weer terug naar zijn maten in de wei. Ik laat hem vrij en met dezelfde vaart als waarmee hij naar voren kwam stuift hij terug naar achteren. Ik klop het stof van mij af en ga verder met mijn middagplanning. 

Als ik ’s avonds in bed lig laat ik de belevenissen van de dag nog een keer de revue passeren. Mijn gedachten blijven bij Poownie hangen. Waren zijn benen nu echt zo warm? Stond hij te trappen naar vliegen of was dat een aanname? Mijn fantasie gaat met mij aan de haal. In mijn gedachten heb ik van een gezond paard een dodelijk ziek dier gemaakt dat ligt te creperen in de wei. Het wordt van kwaad tot erger en in mijn verbeelding ligt hij al met vier pootjes omhoog. Na twee uur malen en met een knoop in mijn maag van ellende stap ik uit bed. 

“Ik wil naar de wei!” zeg ik tegen vriendlief. Die van mij naar de klok kijkt. Het is inmiddels 01.10 uur ’s nachts. Hij weet ook dat ik de rest van de nacht geen oog meer dicht doe zolang ik niet met eigen ogen bij Poonwie heb gekeken. 

En dus lopen we iets na 01.30 uur met een zaklamp in de hand door de wei. Het is super rustig en super mistig. Uiteraard staan de paarden helemaal achteraan. Ik voel mij als een dief in de nacht. Bij de tijd dat we ze gevonden hebben zijn onze broekspijpen doorweekt. Poownie staat op zijn gemak te knagen aan het gras. Als ik hem aan een inspectie onderwerp voelen zijn benen als normaal en zijn de bulten al bijna weg.

Vriendlief zucht diep. “Ben je gerustgesteld?” Vraagt hij. “Want ik ga niet nog een keer mijn bed uit voor een nachtwandeling!” Zegt hij. “Nu wel!” Zeg ik. Nu ik weet dat alles goed gaat en alleen mijn fantasie op hol geslagen was kan ik weer rustig slapen.

Wie heeft vaarweer nodig?

Na onze pauze is de vloerbedekking aan de beurt. En dat is helaas geen vloerbedekking die je even snel schoonmaakt. De haartjes en pluisjes hebben zich vastgeklampt als een groep actievoerders op de A4. Ik kruip op handen en knieën over de grond. Mijn hand is inmiddels gevoelloos, mijn knieën doen zeer, en de herrie van de stofzuiger doet mijn oren bijna pijn. Ik vrees dat ik er een lichte gehoorbeschadiging aan overhoud. Het ding produceert meer decibel dan drie dagen Decibel Outdoor bij elkaar.

Het is 25 graden, bewolkt en de regen hangt dreigend in de lucht. Geen ideale dag om te varen, maar wél perfect om de boot eens flink onder handen te nemen. Aan het begin van elk vaarseizoen geven we hem altijd een grondige schoonmaakbeurt. Van binnen en van buiten moet hij er weer uitzien om door een ringetje te halen. De romp wordt elk jaar door de monteur gepoetst zodra de boot voor de winter het water uitgaat, maar van binnen… daar is het eerlijk gezegd nooit écht geschuurd of gepolijst.

Dit is inmiddels de tweede dag dat we druk in de weer zijn. Vandaag staat de binnenboel dus op het programma, en die krijgt een flinke opfrisbeurt. Vriendlief is fanatiek aan het poetsen met een polijstmachine en staat half over het stuur gebogen. Om hem heen liggen allerlei soorten polijstschijven, van super grof tot schapenvacht zacht. Het resultaat is verbluffend: onderdelen die we met geen sopje schoon kregen, glanzen weer alsof ze net uit de winkel komen.

Zelf heb ik eerder op de dag alle ‘ramen’ uit de boot geritst en grondig gepoetst. Net op tijd, want het begon met wat druppels en veranderde al snel in een plensbui. Nu alles weer terug op z’n plek hangt, zie je pas hoe vies die ramen waren. We hebben er zeker een uur extra daglicht bij, zo helder zijn ze nu.

Tijdens een korte koffiepauze luisteren we naar het zachte getik van regen op het dak. Buiten is het nat en grijs, maar binnen is het warm, comfortabel en stil. Nou ja, zolang de stofzuiger of poetsmachine niet aanstaat…

Toch zie je bij ieder stukje boot dat gepoetst, gezogen en gepolijst wordt een duidelijk verschil. Het opknappen geeft voldoening. Tussendoor barst er nog een onweersbui los en komt het opnieuw met bakken uit de hemel. Wij zitten gelukkig droog. De mensen in sloepjes die we halsoverkop terug zien varen hebben minder geluk, drijfnat van de regen. Gelukkig is het niet koud en kunnen ze er nog om lachen.

Het enige wat nu nog rest is het dek. Maar daarvoor is het te nat… en eerlijk is eerlijk, wij zijn ook gewoon een beetje moe. We sluiten ons harde werk af met een overheerlijke fastfoodmaaltijd van de beste snackbar die ik ooit heb geproefd. En zo voelt het naast het harde werken toch een beetje als vakantie in onze dobberende schone en bijna als nieuwe watercaravan.

Een nieuwe start…

Terwijl de meeste spullen nu wel overgezet zijn moeten ze nog wel een plekje krijgen. Een aantal collega’s staan in het voorraadhok, een andere naam heb ik er niet voor, dozen te verplaatsen en kasten in te richten. Zelf sta ik nu in ons nieuwe kantoor, dat tot voor kort een leslokaal is geweest. Er staan zes gloednieuwe zit/sta bureaus in. En nu onze vrachtwagen met spullen is uitgeladen is het ook voorzien van diverse kasten, beeldschermen, toetsenborden en alle andere relevante kantoorartikelen. Zelf sta ik met een doos vol planten in mijn handen. De vensterbanken zijn groot genoeg om ze allemaal een eigen plekje te geven. 

Het geheel krijgt steeds meer karakter. Sterker nog, aan het einde van de dag voelt het zo knus dat we vergeten dat het een werkplek is. Met enige trots, en pijn in onze rug van wat we bereikt hebben, verlaten we de locatie en is het tijd om weekend te vieren. 

De nieuwe week breekt aan en hoewel dit officieel mijn thuiswerkdag is, kan ik het niet laten om toch naar kantoor te gaan. In de vakantieperiode is er nu voldoende plek. Het is wat onwennig om de snelweg op te rijden, in plaats van linksaf te slaan naar mijn, tot voor kort, oude werkplek. Ik ben veel te vroeg, want geen idee hoe druk het op de weg zou zijn. Maar het viel mee. Gelukkig zit een van de dames al achter de receptie dus hoef ik niet te wachten. Ze starten nog vroeger dan ik doorgaans. Straks krijg ik een sleutel van het pand en uitleg over het alarm. Want wat voorheen niet hoefde, het pand hermetisch afsluiten, gaat nu een van onze dagelijkse taken worden. 

Het is de eerste week even schakelen. Wat vinden we waar precies? Hoe werkt de airco? Kunnen we zomaar gebruikmaken van alle faciliteiten? Zijn die koekjes bij de koffieautomaat ook voor ons? Ik ben net een scanner in overdrive: alles moet ik gezien, gevoeld, onderzocht en geprobeerd hebben voor ik tot rust kom. Ik wil op elke stoel gezeten hebben, mijn pauzes houd ik afwisselend in de kantine, buiten of weer terug op mijn werkplek. En het ergste? Ik probeer álle koekjes uit. Tja… de eerste week hakt er wel in en ik slaap beter dan ooit. 

Jammer genoeg is de buitentuin niet echt bijgehouden. Aangezien wij toch nog in een flow van ruimen en bezig zijn verkeren, besluiten we op de laatste werkdag van de eerste week onze pauze goed te benutten. Er wordt aardig wat onkruid gewied en hier en daar een struik gehalveerd. In 30 minuten tijd krijgt het Mordor-plantsoen zowaar een schonere en frisse uitstraling. Volgende week gaan we verder met de puntjes op de I en het schoonboenen van het meubilair. We hebben al een aantal sokkels gezien, nu alleen nog op zoek naar de bijbehorende parasols.

Er worden normaal gesproken cursussen en trainingen gegeven op deze locatie. Maar vanwege de zomer is het erg rustig. Op wat summerschool- en bijspijkertrainingen na is er niet veel volk op de been. Toch is het leuk om nu al meer reuring om ons heen te hebben dan op de oude locatie. Ik laat de deur van ons kantoor dan ook geregeld open, gewoon omdat het zo gezellig klinkt, al die geluiden op de gang en in de kantine. 

Het einde van een tijdperk…

Het pand waar ik werkzaam ben, staat iets meer dan 2 km van mijn huis en beslaat vier verdiepingen. Ik heb op iedere verdieping en in elke hoek wel eens mijn bureau mogen neerzetten. Hoewel ik dit niet mijn tweede thuis zou noemen, voelde ik mij hier wel altijd thuis. Toen het nog geheel ons “eigendom” was en we er met 125 man in zaten. Maar ook toen, beetje bij beetje, andere divisies en afdelingen verplaatst werden naar Amsterdam, Maarssen en later naar Hilversum, en wij soms nog maar met twee man in het hele pand aan het werk waren.

Een jaar lang hebben wij als enige het gebouw bezet. We hadden een hele verdieping en de complete begane grond voor onszelf. Inmiddels wordt er niet altijd meer op kantoor gewerkt en hadden we een overschot aan ruimte. We gingen terug naar een kwart van het pand en zijn een bedrijfsverzamelgebouw geworden.

Met vijf bedrijven in één pand voelt niemand zich verantwoordelijk, de pandbeheerder al helemaal niet. Het gebouw is ronduit smerig, het onderhoud is achterstallig, en verloedering ligt op de loer. De klimaatbeheersing is al jaren een drama. Gezondheidsklachten na een dag werken nemen met rasse schreden toe. Geen goede reclame. Tijd om te verhuizen.

Iets dat mij toch wel een beetje aan het hart gaat. Voordat dit pand uit de grond getrokken werd, stond hier het bedrijf waar mijn vader jarenlang met veel plezier heeft gewerkt. Om het nog specialer te maken: mijn eerste werkplek bevond zich op exact dezelfde locatie als de ruimte waar mijn vader vroeger de orders aannam en verwerkte. Als ik naar buiten keek, zag ik dezelfde omgeving die mijn vader ook altijd gezien heeft. Soms, als ik door de krochten van ons pand liep, op zoek naar een doos briefpapier, rook ik een vlaag van de staal- en stoflucht die altijd om mijn vader heen hing als hij gewerkt had. Als ik dan mijn ogen dichtdeed, zag ik hem heel levendig voor me in zijn blauwe overall en veiligheidsschoenen.

Herinneringen zijn om te koesteren, maar wij moeten door. Dus besloot de baas dat we aan de overkant van het water, bij onze zusterorganisatie, konden intrekken. Plek zat, en van alle gemakken voorzien. Het afgelopen jaar is er meermaals geruimd: overbodige spullen werden van de hand gedaan. Hoe dichter we op de verhuisdatum kwamen, hoe leger ons kantoor werd. Uiteindelijk is zo’n beetje de hele inventaris via een opkoper opgehaald, en ons nieuwe kantoor werd van nieuwe meubels voorzien. De baas vond een verhuisservice wat overbodig. Zoveel is het niet meer, en als we allemaal effe de schouders eronder steken…

Nou, verrassing: het was wél veel. En heel vies. Kasten en tafels van hun plek halen die al honderd jaar niet verplaatst of schoongemaakt zijn… bah. We zijn met een groepje twee dagen bezig geweest. Met slepen, sjouwen, weggooien. Inpakken en weer uitpakken. Schoonmaken en poetsen. Ik was kapot. En nog steeds staat niet alles op zijn plek of is even schoon.

Maar eerlijk is eerlijk: de nieuwe werkplek voelt fijn aan. Het is een lichte omgeving, met airco die het doet. We hebben een receptie, kantine, vaatwasser en een binnentuin. Het is een plek waar je ook zonder schaamte klanten kunt ontvangen. Einde van de maand geef ik de sleutels terug. Een klein gebaar, maar met grote betekenis: na bijna 18 jaar sluit ik hiermee een bijzondere tijd af op deze locatie.