Heb ik weer…

“POOWNIE!! Op de Dordtse Dom sta je hoger hoor!!” Ik por met mijn ellenboog tussen zijn ribben en duw uit alle macht zijn 400 kilogram van mijn poezelige voetje. Hij tilt zijn hoef net ver genoeg op zodat ik mijn voet uit de kreukelzone kan halen. Onverstoorbaar graast hij verder terwijl ik mijn tenen weer in hun normale proporties probeer te krijgen door ze heen en weer te wiebelen. Pas na een paar seconden komt de stekende pijn. Ik rek en strek mijn voet maar dat maakt het gevoel er niet beter op.

Poownie heeft nog steeds niks in de gaten. Terwijl ik naast hem heen en weer sta te springen van mijn linker op mijn rechtervoet, ondertussen de pijn proberen te negeren. Na 20 minuten rondjes dansen ben ik het zat en strompel terug naar stal. Met in mijn kielzog een geïrriteerde poownie die niet begrijpt waarom we nu al weg gaan.

Op stal wil ik het liefst mijn schoen uittrekken en mijn voet in zijn waterbak laten zakken voor verkoeling. Maar de ervaring heeft mij geleerd dat ik daarna niet meer in mijn schoen kom. Dus de voetjes blijven waar ze zitten. Ik zorg dat alle andere klusjes op stal met enige spoed gedaan zijn voor ik huiswaarts keer.

Eenmaal thuis, gelukkig woon ik dicht bij, schop ik mijn schoenen uit om de schade te bekijken. “Das niet zo slim he!! Zeker niet vlak voor de wintersport!!” Zegt vriendlief die over mijn schouder mee kijkt. “Ik wilde de hardheid van mijn botstructuur nog even testen!” Zeg ik quasi nonchalant. Maar ik vrees toch even voor de naderende wintersport als ik weer naar mijn voet kijk. Een flinke bult op mijn wreef, een grote schaafplek en een rood, paarse kleur hebben hun intreden gedaan. Het is zo pijnlijk dat ik een sok bijna niet kan verdragen.

Mijn voet is het eerste dat ik de volgende dag bekijk als ik wakker wordt. Zelfde kleur, zelfde afmeting, alleen de pijn is wat minder. Ik mag er inmiddels weer aanzitten zonder dat ik op mijn tanden moet bijten. Lang lopen en staan wordt hem niet die dag. De twee daaropvolgende dagen gaat het gelukkig steeds iets beter. De bult is weggetrokken. Alleen de rode paarse kleur op mijn wreef is gebleven. Op hoop van zegen ga ik mee op wintersport…

Met enige voorzichtigheid prop ik mijn voet in mijn snowboardschoen. Een voordeel is dat hij daar stevig zit en schuiven niet kan. Een nadeel is dat ik niet zonder mijn voet te gebruiken kan boarden. Lopen met deze schoenen aan is toch wat pijnlijker. Eenmaal de bindingen vast voelt het alsof Poownie weer op mijn voet staat. De eerste afdaling, ik vrees met grote vrees… Tenen, hakken, tenen hakken, dat is wat mijn voetjes de komende week moeten doen. Maar als we beneden zijn lijkt het of de pijn naar de achtergrond verdwenen is. Misschien moesten ze gewoon even “loskomen”?

Als we de eerste dag achter de rug hebben en terug zijn in het hotel ben ik de pijn eigenlijk helemaal vergeten. Als ik mijn sokken uit doe schrik ik op van wat ik zie. De rode paarse kleur is veranderd in donkerblauw met zwart… Geschokt laat ik mijn voet aan vriendlief zien. Die eerst zijn neus ophaalt en vervolgens mijn voet aan een grondige inspectie onderwerpt. Niks ernstigs, de blauwe plek zakt nu wat naar beneden waardoor je tenen er nu ook “zo” uitzien… “Dus ze vallen er niet af??” “Dat hoop ik niet voor je!”

De dagen daarop wordt de blauwe plek steeds iets minder en alleen met lange stukken lopen of lang staan voel ik mijn voet. Gelukkig heeft het mijn wintersportvakantie niet verpest. Sterker nog, het was wederom een prachtige week met mooi weer en lekkere (rustige) pistes om te boarden. En voor op stal ga ik opzoek naar schoenen met stalen neuzen!!

Een onvermijdelijke botsing…

Het is vrijdagavond rond de klok van 22.00 uur. Het is smerig en koud weer. Ik rij van stal naar huis en ben slecht gehumeurd. De paarden zijn elkaar in de haren gevlogen en mijn arme poownie heeft het onderspit moeten delven. Het beest zag er niet uit en was flink toegetakeld. Mijn gedachten dwalen af en zijn opzoek naar een oplossing voor dit probleem. Dan opeens zie ik hem staan. Ik weet dat ik niet meer kan remmen en uitwijken naar links of naar rechts zou zeker een verpletting met de banden van King Toet betekenen of een botsing met de betonnen muur van het tunneltje tot gevolg hebben. Ik kom te snel dichtbij. Zijn blik spreekt boekdelen en dat is het enige dat ik op dat moment kan zien als ik over hem heen rijd. Dat, en zijn zwarte kraaloogjes. We weten alle twee dat ik hem ga raken. Op tijd remmen lukt niet meer maar toch rem ik zo hard ik kan af. Ik hoop dat het beestje klein genoeg is om onder de auto door te passen. Ik hoor een harde klap en weet dat het laatste wat ik dacht niet is gelukt.

Mijn hart zit in mijn keel en het zweet breekt mij aan alle kanten uit. Ik zet de auto boven aan de dijk en ren terug naar het tunneltje om te kijken welke schade ik heb aangericht. Daar ligt hij, klein en hulpeloos met zijn kopje achterstevoren. Het is een waterkipje. Er vormt zich een brok in mijn keel. Het is mijn schuld dat hij daar zo ligt. Ik loop snel op hem af om te kijken of ik hem nog kan redden. Hij knippert met zijn oogjes en ademt zwaar. Godzijdank leeft hij nog. De vraag is voor hoelang…

Ik haak mijn handen onder zijn donzige lijfje en grijp hem van de grond. Als we hier blijven staan worden we straks alle twee plat gereden. Op het moment dat ik hem optil maait hij met zijn grote poten om zich heen. Ik schrik mij rot bij de aanblik van zijn grote klauwen. Zijn nagels zijn vlijmscherp en zodra er één in aanraking komt met mijn vinger moet ik mij verbijten om niet te vloeken van de pijn. Zijn poten zijn in ieder geval niet gebroken.

Ik neem het schepseltje mee naar de eerste de beste lantaarnpaal zodat ik wat meer licht heb om hem te onderzoeken. Zijn poten doen het in ieder geval. Toch bekijk ik ze, iet wat gebiologeerd, om te zien of er echt niks aan mankeert. Als zijn grote grijpers in orde blijken te zijn doe ik de vleugeltest. Ik vouw eerst links en dan rechts helemaal uit en zoek naar mogelijke afwijkingen. Die zie ik niet. Zijn kop heeft hij zelf alweer in de plooi gebracht. Ik voel aan zijn nek en zijn hoofd en constateer dat alles, aan de buitenkant, nog zit waar het moet zitten. Als laatste check ik zijn snavel. Deze is ook niet gebroken. Alles lijkt het nog te doen. Ik houd het diertje een minuut of tien op schoot en praat er tegen. Meer om mijzelf op mijn gemak te stellen. Na enige tijd voel ik hem weerstand bieden. Hij begint te maaien met zijn poten en wil weg. Tijd om hem los te laten en te zien op hij weer op eigen benen kan staan.

Omdat ik niet wil dat hij straks weer geplet wordt neem ik hem mee naar een slootje met een strook gras. Daar zet ik hem neer en doe zelf een paar stappen achteruit om hem niet op te jagen. Hij kijkt wat schichtig om zich heen. Even ben ik bang dat ik toch met hem naar de dierenarts moet. Maar dan strekt hij zijn nek en draait zijn kop naar links en naar rechts. Zoals wij zouden doen tijdens een warming-up voor het sporten. Vervolgens doet hij een paar wankele pasjes en schud zich daarna helemaal uit. Afgezien van een shock heeft hij er klaarblijkelijk niks aan over gehouden. Mijn weemoedige gevoel begint langzaam weg te zakken. Ik spreek hem toe dat ik hem niet meer op de straat tegen wil komen en loop daarna terug naar mijn auto.

Als ik de volgende morgen de gordijnen van de woonkamer open, staat er een waterkipje in het midden van de tuin. Vastberaden loopt hij op mij af. Ik vraag mij af wat dat beest in mijn tuin doet. Wij hebben namelijk alleen maar een terras en afgezien van een mereltje of een mus-achtige-vogel zijn er zelden gevleugelde vrienden te vinden. Zelfs Uk vind het raar. Als ik de deur open maak kiest hij eieren voor zijn geld. Hij draait zich om en klautert onhandig over de schutting van de buren. Verbouwereerd blijf ik achter. “Hij komt je vast bedanken dat je hem gisteren niet aan zijn lot hebt overgelaten!” Zegt Uk, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik krab mij achter mijn oren en moet daarna lachen. “Ja, dat, of hij komt wraak nemen!” Zeg ik. “Maar laten we maar van jouw opmerking uitgaan.” Zeg ik er achteraan.

Als ik later op de dag een bezoek aan stal ga brengen stop ik toch even bij het slootje. Ik speur de hele waterkant af en loop naar de plaats waar ik hem gisteren heb achter gelaten. Het waterkipje is nergens te bekennen. Gelukkig maar…

Ieder zijn ding…

Grazen 3Het gras bij de buren is, ook in de wintermaanden, nu eenmaal groener. Geregeld staan poownie (dat is zijn bijnaam) en ik dus te grasmaaieren bij de buren in de tuin. Hoewel ik niet letterlijk mee doe natuurlijk. Ik kijk graag toe hoe hij heel secuur de lekkerste grasjes tussen de andere honderdduizenden grassprietjes uitzoekt. Hij heeft er een speciale graas neus voor. Want als ik hem naar een mals ogende graspol leid, kiest hij steevast voor het droge sprietje dat er naast groeit. Om mij niet voor mijn hoofd te stoten, iets met een paard en in de bek kijken, knaagt ie daarna nog wat aan het gras dat ik aan sta te wijzen. Voor mij is het een simpel grasveld, voor hem het walhalla. Hoewel de groentetuin van de staleigenaar ook aardig in de buurt komt. Wat moet het heerlijk zijn om, waar je bent, je snufferd te laten zakken en naast je smaakpapillen ook je “inwendige paard” te kunnen laten genieten.

Grazen 1

Poownie staat altijd met zoveel smaak te grazen dat ik soms spontaan zin krijg om mee te doen. Ik bedoel, het moet voor mijn gevoel net zo zijn als een bezoek aan mijn favoriete restaurant. De geuren die je te gemoed komen zodra je binnen stapt. De verschillende soorten (stok)broodjes met kruidenboter die je al gepresenteerd krijgt nog voor je aangeschoven bent. En dan, zodra de keuze is gemaakt uit de vele lekkere gerechten, je tanden in een heerlijk stuk mals vlees en knapperige patatjes kunt zetten. Ja, zo moet het voor poonwie ook zijn als ie met zijn neus tussen het gras staat.

Ik snap hem dus wel. Zijn honger naar eten is niet te stillen. Wortels, appels, brood, hooi, bix, muesli en gras. Hij lust het allemaal. In de zomer staat hij 24 uur per dag in het weiland. Daar kan hij zelf in zijn graasbehoefte voorzien. Maar in de winter wordt het toch wat lastiger voor hem om zich met zijn hobby bezig te houden. Gelukkig heeft ie een maatje die het niet erg vind om een aantal uur per week naast zijn zijde te staan zodat hij zich bezig kan houden met één van zijn grootste en favoriete bezigheden.

Ach, het paard is mijn hobby, grazen (en zich zelf vies maken) de zijne.

 Grazen 2

Foto van de maand: juli

Dit thema is niet zelf verzonnen, ik werd geïnspireerd door Patricia van “donderdesign”.
Ik maak geregeld foto’s waar ik, afgezien van de verkoop, verder niets mee doe. Soms spam ik wat op Facebook maar daar blijft het dan ook bij. Ik ga proberen om aan het eind van iedere maand een foto, of fotoreeks, te kiezen van de afgelopen vier weken en die hier te showen. Uiteraard valt er over smaak niet te twisten. Wat ik mooi vind kan een ander oerlelijk of saai vinden. Toch zou ik het leuk vinden om onderbouwend commentaar van mijn lezers te ontvangen. Zie het als positieve feedback. Iets waar ik weer van kan leren.

De maanden mei en juni stonden nog in het teken van de sportfotografie. De laatste inhaalwedstrijden waren een feit en de toernooien konden beginnen. Daarna werd het stil. Ik kon eindelijk weer eens uitslapen en mijn zaterdag anders in gaan delen. Na twee zaterdagen niet gefotografeerd te hebben ben ik er met mijn mega telelens en monopod (een éénpoot statief) in de avond op uitgetrokken. De polder in. Op zoek naar vogels. Het voelde wel een beetje onwennig. Normaal zit ik aan de zijlijn en val ik niet op. Nu stond ik aan het riet, langs de kant van de weg waarbij ik geregeld aangesproken werd met wat ik daar ik vredesnaam aan het doen was. Het leek mij logisch met zo’n lens, maar blijkbaar besefte niet iedereen dit. Een eerst volgende keer zal ik mij in het groen verkleden, een netje met takken en bladeren over mij heen spannen ergens in het land gaan liggen om niet de aandacht te trekken van mens en/of dier. Na 1.5 uur staan en heel wat klikken verder had ik de vogels in het riet wel gezien. Het resultaat viel mij thuis een beetje tegen. Bewegende voorwerpen of mensen fotograferen is voor een “sport”fotograaf heel normaal. Maar rondvliegende vogels en slingerende rietstengels waren een ander verhaal. Geduld en veel proberen was het devies van een vogelspotter met wie ik ook nog even heb staan praten en mij direct vertelde wat voor bijzondere vogelsoorten wij in onze polder hebben.

De eerste en meest geslaagde foto van die avond vind je in mijn header. De vogelspotter vertelde dat het een rietzangertje was. Een heel klein vogeltje dat mooie geluidjes produceert (waar mijn papegaai nog wat van kan leren) en zich niet liet afschrikken. Hieronder nog drie geslaagde foto’s van die avond. De laatste is als het goed is een kiekendief. Ik had de stille hoop dat hij zich op één van die vogeltjes zou laten storten. (niet aaaah zielig! Dat is de natuur!!) Dan had ik in ieder geval een paar mooie actie foto’s. Maar dat gebeurde niet. Hij vloog éénmaal over, keek in de camera en daarna heb ik hem de rest van de avond niet meer gezien…

IMG_2994kopiekopie

Rietzangertje

IMG_2877kopie3

Het zijn net kinderen…

Miauw, miauw.
Miauw, miauw.
Miauw, miauw….

Met een zucht gooi ik mijn boek neer op de bank. Oké, nu ben ik het zat. De kat miauwt, de vogel reageert hierop door hem na te doen. De kat gaat nog zieliger miauwen en de vogel doet hem nog dramatischer na. Dit gaat al heel de middag zo door. Ik kijk naar de kat, die op zijn beurt weer geërgerd naar de vogel kijkt. En de vogel? Die houdt nu wijselijk zijn snavel.

Jij, je kooi in. Wijs ik naar Draak. En jij, naar buiten. Wijs ik naar Kleine krijger. “Jaaa, pasterop hoor!” roept Draak nog even snel voor ie in de kooi achter één van zijn speeltjes verdwijnt. Altijd het laatste woord willen hebben, van wie zou hij dat nu hebben geleerd?

Soms zijn het net twee kleine kinderen. De vogel is jaloers op de kat. De kat is jaloers op de vogel. Tot op heden heeft hij het lef nog niet gehad om de vogel een keer van repliek te dienen. De vogel daarentegen heeft er totaal geen moeite mee om de kat te benaderen en zijn snavel te testen op zijn tijgervelletje. Ik kan ze daarom ook nooit alleen laten. De kat is zijn leven niet zeker. De rollen zijn hier duidelijk omgekeerd.

Nu Draak weer in zijn kooi zit en Krijger lekker buiten aan het spelen is kan ik mij weer concentreren op mijn boek, De Fazantenmoordenaars. We gaan richting het einde van het boek en dat betekent ook de ontknoping van het één en ander. Ik zit nog niet koud twee minuten in mijn luie stoel of het gedonder begint weer. Krijger is gespot door een buur-kat en ze rennen nu als een malle door de tuin, over de schutting, door de brandpoort en weer terug. Natuurlijk is het feest pas compleet als Draak zich er mee gaat bemoeien en roept “JAAAAAA en JOEHOEEEEEE” gevolgd door wat oerwoud kreten in het kwadraat. Waar is de harmonie op deze zonnige dagen gebleven?

FOEI galmt het door de tuin waardoor de katten alle twee wegstuiven. Voor Draak is de lol er al snel af en hij scharrelt wat over de bodem van zijn kooi. Totdat er buiten een kindje met zijn fietsje valt en het flink op een krijsen zet. Een mooie gelegenheid voor hem om te laten horen wat hij van de buurkinderen geleerd heeft. Het kindje is door zijn vader alweer gesust maar ik zit de komende tien minuten met een jankende papegaai opgescheept.

Ik stop twee onzichtbare proppen in mijn oren. Pak mijn boek en lees het hoofdstuk uit. Draak is inmiddels op dreef. Hij brengt nu, ongevraagd, zijn complete repertoire ten gehore. Van de eerste twee letters van het alfabet (AB-AB-AB-AB) “lekker werken”, “Pino weer schooooooon” tot aan “slaaplekker” aan toe. Ik laat hem begaan, schenk er geen aandacht aan. Na een paar minuten brabbelt hij nog wat in zijn eigen taaltje en daarna is het weer stil. Het heeft moeite gekost maar negeren werkt dus echt.

Krijger sluipt het huis weer in en laat door een voorzichtige miauw weten dat ie er weer is. Dit wordt opgemerkt door Draak en jawel, daar gaan we weer…

… Miauw, miauw.
Miauw, miauw.
Miauw, miauw…

Langer negeren kan ik niet. Ik ren naar de kast met snoepjes en voer. Voorzie Draak van een handje vol nootjes en zaden en geef Krijger een extra zakje van zijn favoriete voer. Niet geheel pedagogisch verantwoord maar het werkt wel. Want met een volle mond praten of miauwen kunnen ze namelijk niet.

Heerlijk die rust!

Zien lopen, doet lopen, ga je mee?

In de bak paardrijden is al enige maanden niet meer wat het geweest is. Het worteldoek steekt hier en daar door de zandbodem heen. De afrastering is gebroken en de bodem zelf staat geregeld onder water of is bevroren. De enige keer dat we zouden kunnen rijden is ’s-avonds als de verlichting het een paar weken geleden niet begeven zou hebben. Daar komt nog bij dat het dan minstens een week niet zou moeten regenen. Want een zeepaard mag dan wel dezelfde naam dragen als mijn edele viervoeter, ze zijn zeker geen familie van elkaar. De afgelopen periode heeft het ook aardig gevroren dus was de rij bak omgetoverd tot minischaatsbaan. Kortom de bak is een drama bij ons.

Gelukkig staat het paard de hele dag met zijn “buurvrouwen” in de paddock. Daar kunnen ze zich uitleven, achter elkaar aan jakkeren, kuilen graven of elkaars deken slopen. Toen de herfst zijn intreden deed had ik mij erbij neergelegd dat zijn conditie de komende (winter)maanden er niet op vooruit zou gaan. Dat actiepuntje bewaren we voor de lente. Wanneer de dagen langer worden, het meer dan een week droog is en we de rij bak weer in kunnen. Toch vond ik dat we zo nu en dan iets meer moesten doen dan een rondje buiten wandelen of een stukje crossen over het ruiterpad. Mijn eigen conditie is inmiddels ook niet al te best meer, dus besloot ik het paard mee op sleeptouw te nemen tijdens een rondje hardlopen.

Hoewel  mijn paard aardig hard kan lopen is hardlopen toch niet echt zijn ding. Zeker als hij zich moet conformeren aan mijn snelheid. Tussen de 8 en de 10 kilometer per uur is voor mij een ideaal tempo. Maar voor hem betekend dat grote passen nemen of heel zachtjes draven. Niet iets waar hij vrolijk van wordt. Al helemaal niet als we langs al die groene grasstroken lopen waar hij van mij, zijn neus niet naar beneden mag steken om zo nu en dan een hap te nemen. Rennen is rennen en grazen is grazen, dat gaat nu eenmaal niet samen.

De lucht was prachtig blauw en de polder werd toegelachen door de zon. Prachtig, prachtig hield ik mijzelf voor terwijl ik stond te klappertanden van de kou. Een flinke warming up op en rond stal zorgde er voor dat de ergste kou verdreven werd. En het paard? Die stond al zuchtend naast mij. Hij wist wat er komen ging. Al na een paar honderd meter was het raak. Als of ie het er om deed. Standje slak ging aan en ik kon hem voortslepen. Met een uitgerekte hals sjokte hij achter mij aan. Als het halstertouw strak naar achteren stond kwam mijnheer aandraven en als zijn schouder mijn schouder raakte besloot hij weer te gaan wandelen. De ijzige kou maakte het er ook niet lekkerder op. Mijn hoofd en kaak deden pijn en mijn bovenbenen waren gevoelloos. Ik besloot vol te houden. Minstens vijf kilometer.

Eenmaal in de polder begon ik langzaam op temperatuur te komen. De pijn trok weg en het paard kreeg door dat hij niet van mij ging winnen. Uiteindelijk liepen we in gelijke tred. Ik kreeg er zelfs plezier in. Een eenzame fietser riep mij toe dat ik op zijn rug moest zitten in plaats van mee te rennen. Ik kon alleen maar lachen aangezien ik alle lucht nodig om te kunnen blijven ademen. Een auto liet ons passeren en de bestuurder zwaaide vriendelijk. Ik had het niet langer koud meer. Op de terugweg rook het paard zijn stal. Het tempo werd langzaam opgevoerd en voor ik het wist sleepte hij mij voort in plaats van andersom. Ik rende een flink stuk in zijn tempo mee tot ik echt geen adem meer over had. De laatste paar honderd meter werden in een pittig wandeltempo afgelegd.

Bij aankomst op stal vielen de eerste regendruppels. Eenmaal thuis kwam het met bakken uit de hemel. Dankzij het tempo van het paard waren we mooi op tijd weer binnen!

Ga je mee hardlopen? Alleen als ik mijn nieuwe oorwarmers op mag!!

Laat het winterseizoen maar komen. . .

Zodra ik de deur van mijn auto op een kiertje zet wordt hij door de wind verder open getrokken. Ik ben even bang dat hij bij de scharnieren afbreekt en met de wind mee uit het zicht verdwijnt. Maar gelukkig krijg ik hem te pakken en smijt de deur iets harder dicht dan de bedoeling is. Ik doe snel een tweede jas aan voor ik verder loop. Waarom moest ik 15 jaar geleden toch zo nodig een paard? Waarom niet gewoon een goudvis? Of een chinchilla van mij part? Mijn keus van toen heeft gevolgen voor nu. Want het weiland moet nog steeds nagelopen en gemest worden ook nu de herfst zijn intrede gedaan heeft. En hoe!! De wind beneemt mij de adem als ik door het eerste land naar achteren loop. Hoewel ik vaak buiten ben bedenk ik mij dat het lang geleden is dat ik in dit hondenweer buiten ben geweest.

Ik wordt vandaag niet vrolijk begroet. De paarden staan allemaal met hun achterwerk naar mij toe gekeerd met hun dek wapperend in de wind. Een gezellige boel. Eén van de paarden schrikt op van mijn plotselinge verschijning en zet het op een rennen. De anderen paarden, gealarmeerd door hun “graasmaat”, zetten het eveneens op een rennen al hebben ze geen flauw benul waarom. Tot ze zien dat ik het ben. Gehuld in twee jassen en een petje op mijn hoofd. Zo snel als het rennen begon, zo snel staan ze ook weer stil. De hoofden gaan weer naar het gras, hun achterwerk weer in de wind. Behalve mijn paardenbeest. Hij kijkt mij vanaf een paar meter argwanend aan en lijkt te zeggen: “Ik weet niet wat jij komt doen, maar ik heb nu even geen zin!!” Als ik zie dat het hem verder goed vergaat loop ik de andere paarden na en begin met mijn routinematige klus, het leegscheppen van het weiland. Leuk zo’n buitenhobby als de wind je oorschelp vult met ruis en je door en door nat bent van de regen!!

Na een kruiwagen te hebben geleegd kijk ik eens om mij heen. De polder ligt er desolaat bij. Geen auto, geen fietser, geen wandelaar. Ik ben alleen op dit stukje grond. Ik ben niet zo heel bang aangelegd maar ik ben blij dat het nog licht is. Waar tot voor kort de graanstengels, bloemen en bloesems nog wiegden op een zomers briesje worden nu de takken van de bomen gerukt en dode bladeren gaan in een wervelwind omhoog. Geregeld word ik uit mijn balans gebracht en heb ik het gevoel weg te kunnen vliegen als ik nu heel hard zou gaan rennen. De wind beukt tegen mijn oren als een golf tegen een golfbreker. Dit gedeelte van de polder, dat ik altijd zo vredig vind, krijgt door het weer een somber en grauw karakter.

Het paard ziet eindelijk in dat ik niet van plan ben om te gaan rijden of om hem van een poetsbeurt te voorzien. Dus komt hij langzaam naar mij toe. Ik voel aan zijn oren hoe koud hij het heeft. Dit lijkt, dankzij zijn regendeken, gelukkig mee te vallen. Hij wordt net als ik, allerminst blij van dit weer. Wat dat betreft lijken we erg op elkaar. Hij loopt het liefst met mij mee om te schuilen in zijn stal. Ik geef hem een gemoedelijk klopje op zijn hals en schuif hem een snoepje of twee toe. Iets waar hij zijn hoop al op gevestigd had.

Voor mijn gevoel loopt het weideseizoen op zijn eind. Hoewel de boer hoopt op beter weer zodat de paarden nog even buiten kunnen blijven, hoop ik op een nieuw stal- en winterseizoen. Waarin regelmaat en ritme terug te vinden is, de avonden gevuld kunnen worden met geklets op en rond stal omdat alle meiden weer ‘s avonds na school en werk komen. Avondjes waarbij we met zijn allen de paarden aan het poetsen zijn om warm te worden en we het weer vervloeken omdat onze tenen er afvriezen.

Ondanks mijn voorliefde voor de zomer kan ik nu wel zeggen: “Van mij mag het winterseizoen weer beginnen. Mijn paardenbeest en ik zijn er klaar voor!”

De mooi weer ruiter…

De “diehard” ruiter in mij stierf op het moment dat ik stopte met wedstrijd rijden. Ik had immers niets meer om voor te werken dus was het ook niet nodig om in weer en wind door de rijbaan te ploeteren. Een binnenbak heb ik nooit tot mijn beschikking gehad. Maar nu de wedstrijden achter ons liggen hoeft het “recht richten” “stelling” “nageeflijk rijden” en al dat soort fratsen niet meer. De fanatieke ruiter zal het niet met mij eens zijn. Je moet immers altijd aan bovengenoemde zaken werken om je paard lenig, soepel en dus gezond te houden. Maar ik had het daar helemaal mee gehad. Ik overigens niet alleen. Het paard ging ook met steeds minder plezier de rijbaan in. Zijn uitgestrekte stap werd halverwege het pad een verkort geïrriteerd pasje en een paar meter voor het hekwerk van de bak stond meneer meestal stil. Gevolgd door een diepe zucht van zijn kant uit. Mijn paardenbeest deed het alleen omdat ik het zo graag wilde. Of het nu om springen of om dressuur ging. Als dat geen ware liefde is?! Dus besloot ik dat het tijd werd om hem een periode van rust te gunnen. Stoppen met wedstrijden dus ook geen rondjes meer rijden in de bak. Het fanatieke rijden liet ik over aan zijn verzorgster die hem eerst twee en sinds een jaar drie keer in de week rijd. In de tussentijd ontwikkelde ik mijzelf tot een “mooi weer ruiter”.

Met regen en smerig of guur weer hielden wij het lekker bij tutten op stal of samen een rondje hardlopen. Iets waar ik meneer ook niet altijd een plezier mee deed, want waarom zou je op het gras rennen als je het ook kunt eten? En tutten is duidelijk voor meisjes en niet voor jongens. Het niet plichtmatig rijden had een nadeel. Zijn spieren namen in rap tempo af en in de zomer heeft meneer zo’n dikke buik dat het zadel niet goed meer blijft liggen. Hier vonden wij vorig jaar een oplossing voor. Het Sonja Bakker masker. Maar ieder nadeel heb zijn voordeel (Cruijffiaans gezegde) Want als ik hem nu roep terwijl hij in het achterste hoekje van het weiland zijn grasjes aan het grazen is kijkt hij niet alleen naar mij maar komt hij ook nog eens naar voren gelopen. Dat is wel eens andere koek geweest. Ik zal jullie de verhalen besparen van de uren dat ik achter hem aan gelopen heb met mijn bix emmertje in mijn linkerhand en zijn halster in mijn rechter hand. En meneer maar rondjes rennen door het weiland: “Spelletje spelen? Zie mij eerst maar eens te pakken” Hij weet nu dat er niet meer verplicht gereden wordt maar dat er meer tijd is voor leukere dingen.

Zoals ik al schreef ontwikkelde ik mij tot mooi-weer-ruiter wat inhoudt dat ik mij eigenlijk alleen met mooi weer in het zadel hijs om lekker een stukje te hobbelen. We staan midden in de polder en hebben sinds enige tijd ook wat ruiterpaden tot onze beschikking. Het is niet veel. Maar het is leuk genoeg dat ze rekening houden met het paardenvolk. En daar ben ik blij om, want ook dat is hier wel eens anders geweest. Nu kunnen we ongestoord over het pad crossen tot we er moe van zijn. En crossen is wat ik het liefste met hem doe. Dat eeuwige gestap doen we wel als we bejaard zijn. Het leuke van dit soort ritjes is dat we er alle twee van genieten. We zijn aan het werk maar op een speelse manier, we zien wat van de omgeving en zijn lekker samen buiten. Zodra hij zich als een wilde ongetemde Arabische hengst gedraagt weet ik dat hij het ook naar zijn zin heeft. (mijn pony komt overigens niet eens in de buurt van bovengenoemde omschrijving het is namelijk een New Forest ruin van 18 jaar oud die geen vlieg kwaad doet en liever lui is dan moe) Meestal is een uurtje rijden voor ons dan ook wel weer genoeg.

Voor aankomend weekend hebben ze weer heerlijk weer opgegeven. Ik kijk er nu al naar uit. Ik hoop mijn paardenbeest ook.

 

 

De Herinnering…

Ik sta in het weiland van mijn paard. Voor mij staat een kruiwagen en in mijn handen houd ik de poepscoop zoals het ding bij ons genoemd wordt. Een soort veger en blik maar dan van staal en kunststof en uiteraard wat groter in formaat. Het is mijn beurt om het weiland leeg te halen, de paarden te controleren op eventuele wondjes. Het hekwerk na te lopen en de waterbakken te vullen.

De paarden staan er loom bij en slaan met hun staart de vervelende vliegen weg. Ze kijken gestaag toe hoe ik mijn “ding” doe in hun weiland.

De eerste verse hoop schuif ik op de poepscoop om hem te deponeren in de kruiwagen. Vervolgens zweeft een penetrante lucht mijn neusgaten binnen. Het neuraal netwerk komt in actie en brengt mij vervolgens naar heel, heel lang geleden.

“Ik ben 3 jaar oud en heb de hand van mijn vader vast terwijl we het verblijf van de apen doorkruisen. Her en der blijven we staan om te kijken naar de capriolen van de dieren. Het stinkt hier verschrikkelijk en het is er warm. Vervolgens lopen we door naar de olifanten, waar de lucht al evenmin erg fris ruikt. De dieren staan buiten dus lang hoeven we hier niet te blijven. Als ik moe wordt tilt mijn vader mij op zijn nek. We wandelen een kronkelige pad af en komen voor het buitenverblijf van deze kolossale dieren uit. De weg brengt ons vervolgens bij de giraffen. Mijn moeder roept mijn naam. Als mijn blik die van haar gevonden heeft maakt ze snel een foto van ons. Een dagje Blijdorp, dat deden we heel vaak toen ik nog klein was.”

Als ik weer “wakker” wordt realiseer ik mij dat mijn paard voor mijn neus staat en mij aan staat te gapen waarom ik er zo dagdromerig bij sta.

Wat een hoopje paardenmest wel niet teweeg kan brengen.

 

Nog vijf minuutjes…

Ik wordt wakker gemaakt door geklaag. Ik draai mij om en zie dat vriendlief al uit bed is. Afgezien van het geklaag hoor ik niets. Dat betekend dat hij al richting werk vertrokken is. Het geklaag houdt even op om vervolgens weer te beginnen. Het is niet zomaar geklaag. Het is klagelijk miauwen wat ik hoor.

Noa staat onder aan de trap en miauwt alsof het huis in brand staat. Dat doet ze niet zomaar. Dat doet ze omdat ze honger heeft. En als Noa honger heeft.. Nou.. Dat is net zoiets als wanneer ik honger heb en nog minstens een uur moet wachten voor ik aan kan vallen. Dat wil je een ander niet aan doen. Het is zondagmorgen en net half 9 geweest. Ik gil naar beneden: “NOA” om haar der mond te laten snoeren. Laat mij nog even, al is het maar vijf minuutjes, liggen. Dan kom ik er aan en krijg je eten.

Mijn stem maakt dat ze nog meer gaat miauwen. Dan hoor ik vanuit de vogelkooi mijn stem weergalmen: “NOA”. De vogel imiteert de kat gevolgd door gemiauw. Voor ik kan denken: “oh nee!!” is het feest compleet. De kat miauwt, de vogel doet haar na, gevolgd door de kat die weer op de vogel reageert EN-ZO-VOORT… Het is een cirkel die alleen doorbroken kan worden als ik tussen beide kom en ze alle twee van gevulde voerbakken en vers drinken voorzie.

Dus gooi ik de dekens van mij af en drentel in slaapkleding naar beneden om de beestjes, en vooral mijzelf, van dit klaaglied te ontdoen.

Goedemorgen Nederland…